Abstracts

Brieven, dertig jaar lang op reis
Julia Albert-Balazsi (Boedapest)
In deze studie gaan we de briefwisseling van de Nederlandse Elly Hoekstra en de Hongaarse theoloog Prof. dr. Jenő Sebestyén volgen. Dat is weliswaar een eenrichtingsverkeer, omdat alleen de brieven van de Nederlandse dame in het archief van de Reformatorische Theologie in Boedapest in de nalatenschap van professor Sebestyén zijn achtergebleven. De correspondentie vond in de jaren 1919-1949 plaats, in een periode van een heftige opbloei van de contacten tussen Nederland en Hongarije. Dat was de tijd van kindertreinen, de stichting van de Julianaschool en ziekenhuizen van Nederlandse donatie in Boedapest.  Wat was de rol van onze twee briefvrienden in deze betrekkingen? Waarom noemt men dr. Sebestyén de Hongaarse Kuyper? Hoe is het gekomen, dat Elly Hoekstra de eerste docente Hongaarse taal en letteren aan de Universiteit Utrecht werd, en dat haar Beknopte Hongaarse Grammatica steeds nog in de grotere bibliotheken te vinden is? Het is heel uitdagend wat na meer dan 65 jaar over de twee personen aan hand van de briefwisseling, geboorte en overlijdensakten, cursusdeelnemerslijsten en andere berichten te achterhalen valt. De beide personen zijn in 1950 overleden. Hun dertigjarige correspondentie geeft een stuk persoonlijke geschiedenis van Nederland en Hongarije weer.
Reizende schrijvers. Couperus, Buysse en de Oriënt
Jacqueline Bel (Amsterdam)
Rond 1900 reisden veel auteurs, ook Nederlandse en Vlaamse, naar Noord-Afrika. Jacobus van Looy beschreef Marokko in Gekken (1892), Cyriel Buysse reisde in 1901 en 1902 door Noord-Afrika en schreef onder de titel ‘Impressies en herinneringen’ schetsen voor het tijdschrift Nederland. Zijn indrukken van een tweede reis door Zuid-Europa en Noord-Afrika bundelde hij later in Wat we in Spanje en Marokko zagen. Louis Couperus publiceerde zijn reisverhalen van Marokko, Algerije en Tunesië, eerst in de Haagsche Post en bundelde ze onder de titel Met Couperus in Afrika (1921).  Rond 1900 was het geschreven woord nog oppermachtig en speelde het een belangrijke rol in de informatievoorziening over verre streken. De vervoermiddelen waren nog vrij primitief, het spoorwegnet was beperkt en vliegtuigen bestonden rond 1900 nog niet. Van een overheersende beeldcultuur was zeker nog geen sprake: de fotografie ontwikkelde zich weliswaar steeds verder en vanaf 1900 zien we een aarzelende opmars van de speelfilm, maar pas rond 1930 draaiden de eerste geluidsfilms. Romans over verre landen fungeerden vaak  als reisgidsen – denk aan de koloniale literatuur – en  reisverslagen op hun beurt hadden naast hun gidsfunctie ook literaire trekken. Beide genres leverden een belangrijke bijdrage aan de beeldvorming  over verre landen.
In mijn lezing ga ik in op de volgende vragen: welk beeld schetsen de reisverhalen van hierboven genoemde Nederlandstalige auteurs van Noord-Afrika en zijn bewoners? Zijn er overeenkomsten te vinden in de representatie?  Wat is hun indruk van de Islam? Zijn de opvattingen die Edward Said ontwikkelde in Orientalism (1978) van toepassing op hun reisverhalen? Gebruikten de auteurs bijvoorbeeld othering strategies om de lokale bevolking te beschrijven? En in hoeverre passen deze werken in de ideeën die  Carl Thomspon ontwikkelde in Travel Writing  (2011)?
‘Rabat’: een roadmovie als metafoor voor integratie?
Emmeline Besamusca (Wenen/Utrecht)
In de roadmovie Rabat (2011) reizen drie vrienden, twee met een Marokkaanse en één met een Tunesische achtergrond, van Amsterdam naar Rabat. De film ontving meerdere nominaties voor een Gouden Kalf, de belangrijkste Nederlandse filmprijs. Hoofdrolspeler Nasrdin Dchar maakte grote indruk met zijn dankwoord voor zijn Gouden Kalf voor Beste Acteur 2011, dat hij besloot met: “Ik ben een Nederlander. Ik ben heel trots op mijn Marokkaans bloed. Ik ben een moslim. En ik heb een ‘fokking’ Gouden Kalf in mijn hand.” Daarmee leek hij het etiket dat Rabat kreeg opgeplakt te ondersteunen. Alhoewel de makers van de film, Jim Taihuttu en Victor Ponten, bleven benadrukken dat hun roadmovie vooral een universeel coming of age-verhaal van drie twintigers was, werd Rabat in Nederlandse recensies vrijwel zonder uitzondering als ‘multicultifilm’ geduid in relatie tot integratie van tweede generatie allochtonen met een Noord-Afrikaanse achtergrond.
In november 2016 werd het begrippenpaar ‘allochtonen’ en ‘autochtonen’ onder veel publieke belangstelling in de ban gedaan. Ook het begrip integratie staat in toenemende mate onder druk (Dagevos & Grundel 2013). De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid koos in 2007 in plaats van ‘integratie’ voor het begrip ‘identificatie’ (WRR 2007). In de literatuur wordt integratie doorgaans begrepen als ‘participatie in een ontvangende samenleving’, waarbij verschillende dimensies van participatie worden onderscheiden (Smeets & Steijlen 2006). Het maatschappelijke discours rond integratie is echter al jaren sterk geculturaliseerd en legt de focus vooral op de culturele dimensie (Entzinger 2014).
In deze bijdrage wordt Rabat beschouwd vanuit het problematische begrip ‘integratie’.
Gedeelde wereldbeelden. Consciences landschapsbeschrijvingen als school voor de collectieve waarneming
Marlou de Bont (Wenen)
De ontwikkeling van de negentiende-eeuwse roman wordt in meerdere literatuurhistorische theorieën gekarakteriseerd door een verhoogde zichtbaarheid van de sociale werkelijkheid, niet alleen wat betreft de onderwerpkeuze, maar ook wat betreft de gedetailleerdheid van de literaire beschrijvingen.
In mijn bijdrage wil ik deze focus op waarnemen als middel tot kennis van de wereld om ons heen thematiseren aan de hand van een aantal openingsscènes uit romans van Hendrik Conscience waarin de beschrijving van het landschap een centrale rol speelt.
Meer specifiek wil ik onderzoeken hoe de landschapsbeschrijving in deze fragmenten functioneert als bron voor culturele en geografische kennis (die af en toe opvallend toeristische vormen aanneemt). Mijn veronderstelling is dat deze landschapsbeschrijvingen de lezer niet alleen introduceren in de verhaalwereld van de roman, maar de lezer tegelijkertijd uitnodigen om zich een bepaald ‘wereldbeeld’ eigen te maken dat als representatief voor de collectieve waarneming wordt voorgesteld.
Op die manier wil ik in deze bijdrage de vraag stellen naar het verband tussen de focalisatie van het landschap en de vorming van een collectief cultureel bewustzijn in het proza van de man die zijn volk volgens het welbekende gezegde leerde lezen (en wellicht ook op een andere manier leerde kijken).
Op pad met Jan de Lichte en Juraj Jánošík: literaire lieux-de-mémoire als toeristische trekpleisters
Benjamin Bossaert (Bratislava)
Volgens de website van de stad Zottegem is het Jan de Lichtepad echt de moeite waard en ‘een stevig stuk cultuurpatrimonium op een kluitje bijeen’: Het Jan De Lichtepad is geen echte wandelroute – want hij is niet lusvormig – maar een rust- en verbindingspunt in het midden van een waaier aan toeristische blikvangers. Cultuur en natuur vormen er een harmonisch geheel (stad Zottegem, online).
De Vlaamse Toeristenbond en diverse wandelclubs uit de omgeving stimuleerden in de twintigste eeuw ook het bezoeken en wandelen langs deze levende geschiedenis als moderne beleving van een historisch bewustzijn. Onder meer Beyen (2003) en recenter Bossaert S. (2016) publiceerden hierover. Aan een andere kant, in Centraal-Europa, niet ver van de Poolse grens, ligt het dorpje Terchová. Hier werd in 1688 Juraj Jánošík geboren. Hij groeide later uit tot een Slowaakse nationale held, door enkele letterheren in de Slowaakse nationale beweging uitgeroepen als een voorbeeld voor de Slowaken, ondanks zijn roversactiviteiten. Nog steeds kennen beide helden een levendige beeldvorming, ook in twintigste-eeuwse populaire vormen. Op de website van het dorp Terchová wordt ook gewag gemaakt van een zogenaamd ‘pad van de markante plekken van Jánošík’. Het leidt ons naar: roverij in de Karpaten als een vorm van natuurlijke strijd tegen feodale onderdrukking, het propageren van de legende van Jánošík en tradities of ingebakken realia over de beroemde rovers en kapitein uit Terchová in zijn geboortegehucht van de familie Jánošík (citaat online, vertaling BB).
We gaan op zoek naar sporen van de legendarische rovers en Rural Outlaws (volgens de terminologie van Neubauer en Leerssen) en naar welke literaire en folkloristische elementen zich in de respectievelijke toeristische paden vermengd hebben. In een vergelijkende studie pogen we tot een toenadering te komen van een hybride heldenconcept in de twintigste-eeuwse nationale beweging bij een populariserend discours. We zien dat moderne beeldvorming, vermengd met folklore, literatuur en traditie een concrete vorm kan krijgen via lieux-de- mémoire.
Kieślowski’s ‘Dekalog’ doorheen tijd en ruimte: Poolse realia in Nederlandse ondertitels 
Joke Bossens (Wrocław)
Eén van de uitdagingen waar iedere vertaler voor staat, is hoe om te gaan met de vertaling van cultuurspecifieke elementen of “realia”. Deze kwestie werd in de vertaalwetenschap al regelmatig onderzocht en vormt het thema van deze lezing. De lezing vertrekt vanuit het oogpunt van de audiovisuele vertaler en is gebaseerd op een taalkundige analyse van de tiendelige filmreeks Dekalog van de Poolse regisseur Krzysztof Kieślowski. Cultuurspecifieke elementen uit het originele script worden gekoppeld aan hun vertaling in de Nederlandse ondertitels. Aan de hand van deze vergelijkende analyse wordt nagegaan in welke mate zij hun Poolse couleur locale hebben behouden in de doeltekst. In het eerste deel van de lezing wordt het theoretisch kader van dit onderzoek geschetst. We gaan kort in op het specifieke karakter van interlinguale ondertiteling met bijzondere aandacht voor hun beperkingen in tijd en ruimte, die een rechtstreekse invloed uitoefenen op het vertaalproduct. Vervolgens wordt het begrip “realia” gedefinieerd en trachten we een antwoord te geven op de vraag hoe we hen naar de doeltaal kunnen overbrengen. Voor dit laatste doen we beroep op het classificatiemodel van Pedersen (2005), dat een onderscheid maakt tussen doeltaal- en brontaalgerichte vertaalstrategieën als leidraad voor het ondertitelingsproces. In het tweede deel van deze bijdrage wordt een overzicht gegeven van de cultuurgebonden elementen die werden teruggevonden in het script van de Poolse film Dekalog. Deze worden vergeleken met hun tegenhangers in de Nederlandse ondertitels om zo te achterhalen welke vertaaltechnieken werden toegepast. Domineren de brontaalgerichte strategieën of de doeltaalgerichte strategieën? Op basis van deze analyse trachten we tot slot een antwoord te geven op de vraag in hoeverre het uitheemse karakter van de Poolse cultuurgebonden elementen in Dekalog al dan niet bewaard is gebleven in de Nederlandse ondertitels.
Hoe zagen ze elkaar? Hongaarse studenten over Nederland en zijn inwoners, Nederlanders over Hongaren
Réka Bozzay (Debrecen)
In de tweehonderd jaren toen Hongaarse studenten in Nederland studeerden, zijn veel berichten over de reis en de studie ontstaan. In deze berichten schreven de Hongaren over hun belevenissen in Nederland, hoe ze zich confronteerden met een andere cultuur. Maar niet alleen de Hongaren hadden nieuwe belevenissen in een ander land. Ook zij, de vreemden, maakten een indruk op de Nederlanders. Mijn doel is om voor te stellen welke impressies de Hongaren van Nederland en zijn inwoners hadden, wat zij, de vreemden in Nederland als anders waarnamen, en hoe de Nederlanders de Hongaren zagen. In de analyse werden alleen de cultuurspecifieke verschillen genoemd, gebeurtenissen die misschien raar waren maar in andere landen ook konden voorkomen (vechtpartijen bijvoorbeeld) werden buiten beschouwing gelaten. Bronnen van de analyse omvatten een periode van tweehonderd jaar, maar bronnen uit de 18de  eeuw zijn in de meerderheid omdat er meer bronnen uit deze periode bewaard zijn gebleven. De soorten bronnen zijn reisberichten, brieven, dagboeken en autobiografieën. Nederlandse bronnen, die over Hongaren berichten zijn er veel minder. Hongaren komen in universitaire documenten voor, verder werden namen in testimonia en in brieven van Nederlandse professoren genoemd. In enkele gevallen schreven Hongaren erover welke indruk hun verschijning op de Nederlanders maakte. Voor de analyse gebruik ik ook de (zowel Europese als Hongaarse) reismethodieken van de apodemische literatuur, en zal bekijken in hoeverre ze voor het schrijven van een Hongaars reisbericht werden gebruikt.
Het Friese substraat in Groningen op een methodologische pijnbank 
Cor van Bree  (Leiden)
Ergens op het einde van de Middeleeuwen moeten de bewoners van het Groningse platteland en misschien ook die van de Stad hun Fries hebben opgegeven ten gunste van een vorm van Nedersaksisch (Nederduits). Ze hebben dat echter niet gedaan zonder Friese sporen achter te laten. Er is dus in het Gronings sprake van een Fries substraat, heel duidelijk in de plaatsnamen, maar ook in het lexicon en in de grammatica. In de literatuur worden de nodige voorbeelden gegeven maar zijn die wel altijd bewijskrachtig? De bedoeling van de lezing is om de veronderstelde „frisismen” aan een strenge methodologische toetsing te onderwerpen. Dit confronteert ons met een contact-linguïstisch probleem: aan welke criteria moet worden voldaan wil de conclusie dat er inderdaad sprake is van een substraatwerking, gerechtvaardigd zijn?
‘Brieven uit Niš over harems’ en ‘’n Badreisje in de tropen’ als mogelijke visies op de oriëntaalse vrouw
Tamara Britka (Belgrado)
Van oudsher betekent op reis gaan zowel in contact komen met andere culturen als inzicht krijgen in het specifiek cultuur-historische erfgoed van bezochte gebieden. Aan het einde van de negentiende eeuw begint de Servische schrijfster Jelena Dimitrijević zich te interesseren voor vreemde talen en culturen zodat haar belangstelling parallel verloopt met het bereizen van haast alle uithoeken van de wereld. Tot haar eerste kennismaking met de oriëntaalse cultuur komt het via de Servische stad Niš aangezien er de Turkse bevolking, die gedurende de eeuwenlange overheersing daar gevestigd was, opzienbarende culturele sporen heeft achtergelaten. De roman Brieven uit Niš over harems (1897) getuigt van de aantrekkingskracht die de leefomstandigheden van Ottomaanse vrouwen en hun leefpatroon in harems voor de schrijfster hadden, maar tevens ervan dat J. Dimitrijević zich bewust was van de moeilijke maatschappelijke positie van oriëntaalse vrouwen. Carry van Bruggen is door de verhuizing naar Nederlands-Indië bekend geraakt met de koloniale wereld tijdens de eeuwwisseling. De korte periode die ze daar heeft doorgebracht was een belangrijke inspitratiebron geweest voor een aantal werken uit haar eerste fase. In 1909 verschijnt de verhalenbundel ’n Badreisje in de tropen waarin ze verschillende ervaringen, voortgekomen uit contacten met de lokale cultuur en bevolking, en door toevoeging van bepaalde fictionele elementen tot een literaire tekst bewerkt.
In deze bijdrage ligt de focus op het beeld van de oriëntaalse vrouw in de bovengenoemde literaire werken. Door toepassing van de postkoloniale benadering en het begrippen-apparaat zoals hybriditeit, culturele formulering, differentie en stereotypie van Homi K. Bhabha en de postkoloniale feministische invalshoek van G. Ch. Spivak zal er worden aangetoond op welke manier de oriëntaalse vrouwen ten tonele worden gevoerd in deze werken eveneens of er sprake kan zijn van bepaalde overeenkomsten of juist verschillen bij de behandeling van dit onderwerp.
Nederland: het land van tulpen, klompen, kaas, molens, bier en diamanten? En hoe zit het met België? Toeristische representaties van Nederland en België in Servië 
Bojana Budimir (Belgrado)
De laatste decennia lijkt de aarde kleiner dan ooit. Reizen was nog nooit zo gemakkelijk en goedkoop, waardoor talrijke (wereld)steden nu onderhevig zijn aan het massatoerisme terwijl de echte avonturiers hun weg weten te vinden naar de verste uithoeken van de wereld. Mensen komen meer dan ooit in contact met elkaar en maken zo vaker en vaker kennis met andere culturen. Aanvankelijk verloopt die kennismaking meestal via brochures van toeristische bureaus en andere verslagen die in tijdschriften, kranten en op het internet te vinden zijn. Deze spelen een belangrijke rol bij het kiezen van de mogelijke bestemmingen en zijn een belangrijk instrument bij de imagovorming van het land in kwestie. Het doel van dit onderzoek is om vast te stellen welke beelden en representaties dominant zijn in Servië bij de promotie van zowel Nederland als België als toeristische bestemming, en dat aan de hand van enerzijds een kwantitatieve en anderzijds een kwalitatieve analyse van de narratieve en visuele inhoud op de officiële webpagina’s van Servische toeristische bureaus, online reistijdschriften en -magazines, evenals reisverslagen die te vinden zijn op Servische internetportalen. Daarbij staan de volgende vragen centraal: In welke mate zijn deze bestemmingen vertegenwoordigd in het aanbod? Wat voor informatie komt er aan bod? Wordt de nadruk gelegd op een bijzondere activiteit (winkelen, recreatie of uitgaan)? Hoe wordt er omgegaan met cultuurspecifieke elementen? Bovendien worden de resultaten van deze analyse in een bredere context geplaatst en vergeleken met het imago van Nederland en België dat geschapen is door de officiële instanties van deze landen.
Reizen en praten in de Gouden Eeuw
Adam Bžoch (Ružomberok)
De protestantse schrijver Franciscus Ridderus (1620-1683), onder zijn tijdgenoten vooral bekend als auteur van een aantal populaire handboeken, publiceerde in 1663 een uniek werk dat inzicht geeft in de techniek van informele communicatie in de 17e eeuw. Zijn Nuttige tijd-korter voor reysende, een verzameling van 42 gesprekken tussen een dominee, een historicus en een schipper, vormde een handleiding voor diegenen die op reis gingen en met hun reisgenoten een beschaafde en tegelijkertijd een niet bindende, informele conversatie wilden voeren. Het boek geeft vooral een beeld van diverse gespreksonderwerpen die in de Gouden Eeuw voor lange reizen aanbevolen werden maar is ook een soort spiegel van de burgerlijke welgemanierdheid in de Nederlandse 17e eeuw.
Tommy Wieringa stuurt ‘Ansichtkaarten’. Over de charmes van een kort reisverhaal
Bożena Czarnecka (Wrocław)
De verzameling reisverhalen van Tommy Wieringa, Ik was nooit in Isfahaan, is in 2006 verschenen, kort na zijn succesroman Joe Speedboot. De bundel bestaat uit drie delen met titels “Verhalen”, “Verslagen” en “Ansichten”. In mijn bijdrage wil ik me op de teksten concentreren die juist dat laatste deel uitmaken. Qua vorm en ten dele inhoud lijken ze het minst op een traditioneel reisverhaal. Zoals de titel “Ansichten” reeds suggereert, doen ze eerder denken aan “ouderwetse” ansichtkaarten die men nog heel af en toe stuurt om kort en bondig te berichten over de bezochte plekken.
Naar aanleiding van Wieringa’s verhaaltjes (reisnotities?) wil ik een paar vragen stellen over het verband tussen de specifieke vorm van die teksten en de manier waarop er een andere/ vreemde realiteit verteld wordt. Wat mij o.a. interesseert, is de kwestie van de houding die de verteller inneemt tegenover die andere, voor hem onbekende socio-culturele en economische omgeving. In hoeverre gedraagt hij zich als postmoderne reiziger/toerist? Of hebben we hier eerder te maken met een soort aankondiging van een post-postmoderne houding?
Een fonetische reis door Nederland en Vlaanderen – over niet-standaardvariëteiten van gesproken Nederlands binnen colleges Nederlands(e) uitspraak
Zuzanna Czerwonka (Wrocław)
In de colleges Nederlands voor studenten extra muros wordt een gestandaardiseerde variant van het Nederlands aangeboden (meestal hetzij het Standaardnederlands dat in Nederland wordt gebruikt, of het Standaardnederlands dat in België wordt gebruikt). Maar de dagelijkse realiteit van Nederland of Vlaanderen is anders: dialecten en regiolecten nemen er een belangrijke plaats in en daarnaast bestaan er ook allerlei vormen van sociaal gekleurd Nederlands die zich tussen een traditioneel dialect en de standaardtaal situeren (zoals de Vlaamse tussentaal of het Poldernederlands). Studenten worden met deze niet-standaardvariëteiten geconfronteerd als ze naar de Lage Landen gaan, met hun Nederlandse of Vlaamse vrienden spreken, naar Nederlandstalige tv-programma’s kijken of als ze naar de Nederlandstalige radio luisteren. Dit auditief contact leidt vaak tot onzekerheid in de eigen productie van Nederlandse klanken. Er ontstaan twijfels en vragen over wat eigenlijk “juist” is wat de uitspraak betreft.
In het kader van mijn presentatie wil ik dit probleem graag met de volgende vragen ter discussie stellen: Hoe (en in hoeverre) kunnen (of moeten?) de studenten theoretisch en praktisch geconfronteerd worden met niet-standaardvariëteiten van gesproken Nederlands in het kader van colleges Nederlandse uitspraak of praktisch Nederlands? Wanneer zou de fonetische reis door Nederland moeten beginnen? Welke (leer)middelen hebben we ter beschikking om de studenten op de fonetische variatie binnen het gesproken Nederlands voor te bereiden? Waar kunnen we als docenten en niet-moedertaalsprekers (die vaak niet erg veel over variatie binnen het Nederlands weten) hulp zoeken? En wat is het advies van de Taalunie erover? Door deze (en andere) vragen te beantwoorden hoop ik een bijdrage te leveren aan de discussie over de inhoud en vorm van moderne colleges Nederlandse uitspraak.
Docenten NVT en Neerlandistiek virtueel op reis: het gebruik van blended en online leren voor docentennascholing
Ingrid Degraeve (Brussel)
Docenten Nederlands als Vreemde Taal en Neerlandistiek oefenen hun beroep per definitie overal ter wereld uit. Online leren en blended leren hebben de voorbije jaren een hoge vlucht genomen. Zo wordt er volop geëxperimenteerd met MOOCs, flipped classroom, online platforms waar docenten advies, informatie en lesmateriaal met elkaar uitwisselen. Voor sommigen is dit al oud nieuws. Voor anderen roepen de termen vragen op. Eén ding staat vast: deze leertechnologieën hebben invloed op het onderwijs en de dienstverlening die we tot nu toe gekend hebben. Er is een beweging van fysiek naar online, van gerichtheid op een groep naar gepersonaliseerd, van onderwijs dat aan plaats en tijd is gebonden naar flexibel onderwijs waarbij een vaste plaats en tijd minder of niet langer een rol spelen.
Herkennen we die tendensen ook in het onderwijs NVT en Neerlandistiek? Voor studenten, maar ook voor docenten in het kader van levenslang leren? Welke kansen bieden online technologieën in het algemeen en in het bijzonder voor de nascholing en ondersteuning van docenten? Hoe kunnen we nagaan of een technologie en de bijbehorende investering (wat betreft tijd en geld) geschikt zijn voor het nascholen en ondersteunen van docenten NVT en Neerlandistiek? Wat beogen de online trajecten die deel uitmaken van de Taalunie Zomercursussen voor studenten en docenten?
De vervreemding van ‘Max Havelaar’: het effect van de hertaling op de lezer
Margot Delleman (Boekarest)
Het boek Max Havelaar dat Eduard Douwes Dekker onder het pseudoniem Multatuli schreef, werd in 1860 gepubliceerd. Honderdvijftig jaar later verscheen de hertaling van Gijsbert van Es. In het voorwoord schrijft Van Es dat hij met het verschijnen van de hertaling Max Havelaar toegankelijker hoopt te maken voor nieuwe en jonge lezers. Een hertaling creëert een vermoeden dat het gaat om een versimpeling van de taal en dit was blijkbaar nodig, omdat de interesse in historische werken zoals Max Havelaar uiteindelijk af begon te nemen. Deze afname zou verklaard kunnen worden aan de hand van de vervreemdende werking van het originele werk: de voor een hedendaags publiek onbekende literaire karakteristieken, woorden die nu niet meer gebruikt worden, etc. De lezer heeft, met andere woorden, tegenwoordig waarschijnlijk andere verwachtingen van hoe een literair werk eruitziet en daardoor is de afstand tussen de lezer en het originele werk groot geworden. En dat terwijl Multatuli het boek oorspronkelijk geschreven heeft voor de gewone burger waardoor de afstand tussen lezer en werk klein was. Hij wilde tenslotte gelezen worden. Deze afstand zal ik met behulp van de theorie van de Duitse literatuurwetenschapper Hans Robert Jauss onderzoeken. Met andere woorden, mijn bijdrage zal bestaan uit het toepassen van een vorm van receptietheorie op beide boeken om een antwoord te vinden op de volgende vragen:
– Hoe gaat de hertaling van Max Havelaar door Gijsbert van Es om met het idee van Multatuli om een boek te schrijven voor de gewone burger en waarin de afstand tussen de lezer en het werk klein is?
– Op wat voor manier draagt dit idee bij of doet dit af aan de lezerservaring van de hertaling?
Uit deze bijdrage zal uiteindelijk blijken of het Van Es gelukt is om een hertaling te maken die toegankelijker is geworden, en of de Max Havelaar daardoor weer een werk is geworden voor de gewone burger.
Literatuur die door ruimte reist: Het beeld van Tsjechië in het naoorlogse Nederlandse en Vlaamse proza
Renáta Doanová (Praag)
In mijn bescheiden bijdrage zou ik graag mijn proefschrift willen introduceren waarin het beeld van Tsjechië in het naoorlogse Nederlandse en Vlaamse proza wordt bestudeerd door middel van een structuralistische analyse en imagologisch onderzoek dat in de extramurale neerlandistiek bijzonder populair is. Onder de term ‘Nederlandse literatuur’ versta ik de Nederlandstalige literatuur van Nederlanders, Vlamingen en Tsjechische migranten die na de communistische overnames naar Nederland zijn geëmigreerd. Het corpus bestaat uit een aantal prozaïsche Nederlandstalige werken die zich in het gebied van Tsjechië afspelen, waarin Tsjechische motieven terugkeren of waarin Tsjechische personages optreden. In mijn onderzoek wil ik antwoorden vinden op de hoofdonderzoeksvragen die ten eerste het beeld van Tsjechië bestuderen, ten tweede het beeld van Tsjechische personages laten zien en ten derde motieven in het corpus onderzoeken die ruimte- en cultuurverbonden zijn. Ter illustratie zal ik ook de roman In goede handen (1984) van Jan Stavinoha kort bespreken.
Jason en de Argonauten in de 20ste eeuw
Aleksandar Đokanović (Belgrado)
In de bijdrage zal de transformatie van de mythe over Jason en de Argonauten in de roman Een vreemde stam heeft mij geroofd van Willem Brakman onderzocht worden. De legende van Jason en de Argonauten heeft een mythische reis op zoek naar het Gulden Vlies tot onderwerp. Daarin wordt Jasons tocht met zijn volgelingen naar Colchis beschreven, de roof van het Gulden Vlies en hun terugreis. Bij het schrijven van zijn roman baseerde Willem Brakman zijn verhaal op de epos Argonautica, geschreven in de 3 eeuw v. Chr. door de Alexandrijnse dichter Apollonius Rhodius.
In zijn roman Een vreemde stam heeft mij geroofd (1992) herschrijft Willem Brakman de mythe van de Argonauten maar speelt het verhaal zich in Nederland af. Brakman heeft zijn verhaal gesitueerd in de 20ste  eeuw aan de kusten van de Noordzee. In de bijdrage zal er worden nagegaan in welke mate en in welk opzicht Brakman het mythische verhaal transformeerde. Daarbij zullen we de oorspronkelijke bron, de Argonautica van Apollonius Rhodos, met de roman van Brakman vergelijken. Brakman schrijft zijn eigen versie en houdt zich niet aan het origineel: bv. helpt Medea in de originele mythe Jason om het Gulden Vlies te stelen, maar bij Brakman is dit niet het geval. De roman wijkt ook af van het origineel in een belangrijk feit: niet Medea, maar Jason vermoordt haar broer. Bovendien combineert Brakman de mythe van de Argonauten met andere mythische verhalen, bijv. Oedipus-, Daidalos- en Odysseusmythe. Hoe hij dat hanteert zullen we aan de hand van de intertextualiteitstheorie van Gerard Genette laten zien, die het theoretisch kader van de bijdrage vormt.
Ideologie op reis of waarom kwam de Amerikaanse Jezus-socialist naar Zuid-Afrika? ‘They Call me Carpenter’ van Upton Sinclair in het vakbondstijdschrift ‘Klerewerker/Garment Worker
Małgorzata Drwal (Poznań)
Het tweetalige tijdschrift Klerewerker/Garment Worker was het officiële orgaan van The Garment Workers’ Union, de vakbond van werksters uit textielfabrieken in Johannesburg. Het ontstaan van de GWU in 1930 was een duidelijk teken van de modernisering van de samenleving – zowel op economisch als op politiek en cultureel gebied. Door middel van het tijdschrift werd de ideologie van het socialisme onder de werksters verspreid. Om deze nieuwe stroming toegankelijker te maken en het publiek effectiever aan te spreken, hebben de auteurs de literaire vormen aangepast. Naast verslagen van vergaderingen en opinieartikels stonden er in het blad ook maatschappelijk betrokken verhalen, toneelstukken en gedichten. De meeste teksten waren oorspronkelijke werken van vakbondsleden geschreven in het Afrikaans of in het Engels, maar er stonden ook vertalingen in. In de jaren 1940 – 1943 verscheen de Amerikaanse roman van Upton Sinclair They Call me Carpenter (Hulle Noem my Timmerman) in afleveringen in het tijdschrift. Door het plaatsen van deze vertaling heeft Hester Cornelius, de auteur van de Afrikaanse versie, verwezen naar de parallellen tussen de situatie in Amerika en in Zuid-Afrika. In de roman wordt de link tussen het christendom en het socialisme benadrukt door het personage van Jezus die tijdens zijn wandeling door de moderne stad met verschillende wantoestanden wordt geconfronteerd.
Kaaskoppen, windmolens en véél water – Tsjechen over Nederland 
Wilken Engelbrecht  (Olomouc/Lublin)
Wat hebben de gebroeders von Sternberg, de theoloog Samuel Hartmann, de journalist František Kubka, de schilder Jaroslav Skrbek, de scout Miroslav Seifert en PEN-lid Karel Čapek gemeen? Ze waren als reiziger in Nederland en hebben de indrukken van hun reizen aan het papier toevertrouwd. Met name Kubka, Seifert en Čapek waren met hun verhalen (en bij Kubka en Čapek ook hun tekeningen) maatgevend voor het beeld van Nederland dat bij de Tsjechen ontstond.
Aan de hand van hun verhalen uit drie eeuwen (de 17e, 19e en 20e eeuw) wordt in de bijdrage getoond wat de auteurs opvallend vonden aan de Nederlanders en hun land. Hoewel het Nederland van de 20e eeuw een heel ander land was dan dat van drie eeuwen eerder, blijken er toch enkele opvallende constanten te zijn.
Het eerste wat de Tsjech opvalt, is dat er overal water is. De reiziger hoort over grote overstromingen, ziet imposante dijken – en verbaast zich dat iedereen gewoon in dit onveilige gebied leeft. Dan is de techniek, die weer met water te maken heeft (windmolens, bruggen, sluizen) een terugkomend element. Nederland was en is in de ogen van de toerist overgeorganiseerd. De Nederlander zelf bevalt wat minder – redelijk vriendelijk en behulpzaam bij eerste vluchtige contacten, maar nogal op de penning en tamelijk bot in de omgang. Kortom, elementen die ook terugkomen in grappig bedoelde boekjes als the Undutchables. Een korte cursus ‘Nederlandkunde’ door de ogen van de Tsjechische buitenlander.
„De stad in het dal lokt, ik moet er soms heen […].” Zoektochten door een schuldig landschap 
Sabine Ernst (Münster)
Reizen vormt een favoriet onderwerp in de literatuur. Aanleiding van een literaire reis is meestal een vakantie, een familiebezoek of een zakenreis. Daarnaast kan voor romanpersonages ook de zoektocht naar hun familiegeschiedenis en het verleden de reden zijn om op reis te gaan.
In Rashid Novaires in 2007 verschenen roman Afkomst gaat hoofdpersonage Nabil el Maroudi, een beginnend schrijver, op zoek naar zijn roots. Met name zijn Pools-Duitse voorouders wekken zijn bijzondere belangstelling. Waarom wordt de Poolse achtergrond door zijn grootmoeder Ute helemaal weggemoffeld? In haar doos met oude foto’s bevindt zich ook een foto van Nabils overgrootmoeder Theresa Datko, genomen tijdens de verlening van het moederkruis voor het baren van tien zonen. Hij vraagt zich af welke impact het nazi-verleden op zijn familie heeft gehad.
In de roman De zondagsjongen van Cherry Duyns onderneemt hoofdpersonage Anton herhaaldelijk reizen naar zijn geboorteplaats Wuppertal, waar hij ook een deel van zijn kinderjaren heeft doorgebracht. Hij is zoon van een Nederlandse dwangsarbeider en een Duitse moeder, voelt zich verscheurd tussen de Nederlandse en de Duitse kant van zijn identiteit en verloochent vaak zijn Duitse afkomst omdat deze hem doet denken aan de oorlog.
Het hoofdpersonage van de roman Het juiste moment van Grimbert Rost van Tonningen reist naar Goslar om het naziverleden van zijn familie te ontrafelen.
In alle drie romans vindt een zoektocht plaats naar de identiteit van de hoofspersonages en hun familiegeschiedenis. Deze zijn telkens nauw verbonden met de Tweede Wereldoorlog als historische context.
Door een analyse van de romans zal ik antwoorden vinden op volgende vragen: Hoe worden de reizen en de zoektochten van de personages gepresenteerd? Welke rol speelt het motief ‘schuldig landschap’? Worden er verbanden gelegd tussen heden en verleden? Hoe mengen zich de romans in actuele maatschappelijke debatten? Op welke manier vindt een inmenging plaats in publieke discussies over o.a. identiteit, geschiedenis en de omgang met het verleden en hoe wordt daarop gereageerd? Hoe wordt positie gekozen t.o.v. onderwerpen zoals discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat? Hoe worden in de romans machtrelaties en mechanismen van uitsluiting blootgelegd?
Op reis naar cultuurbemiddelaars. Casus: Adèle Opzoomer als cultuurbemiddelaar tussen Hongarije en Nederland 
Judit Gera (Boedapest)
Het belang van cultuurbemiddelaars werd in wetenschappelijk onderzoek naar culturele transfer al eerder ontdekt en meermalen besproken (Bromans 2012, Meylaerts & Gonne 2014). Het genderaspect van cultuurbemiddeling bleef evenmin onopgemerkt (Bromans 2012a, Vandenbussche 2012). Op grond van en als vervolg op vroeger onderzoek tracht ik met mijn bijdrage op reis te gaan naar cultuurbemiddelaars waarbij verschillende aspecten een rol spelen. Belangrijke aandachtsgebieden zijn: gender (zijn er verschillen tussen mannelijke en vrouwelijke cultuurbemiddeling, hoe bepaalt gender de persoonlijke keuze om tussen culturen te bemiddelen), de relatie tussen leven en werk (hoe beïnvloeden tijd, plaats en sociale klasse het succes van cultuurbemiddeling), habitus (Bourdieu), culturele herinnering (in hoeverre leven cultuurbemiddelaars in de herinnering van de cultuur die ze voortgebracht heeft en van de cultuur die ze verrijkt hebben), netwerken (in welke maatschappelijke, professionele en persoonlijke kringen hebben cultuurbemiddelaars geleefd) en imagologie (welk beeld hebben ze van de ontvangen cultuur geconstrueerd).
De verschillende aspecten illustreer ik aan de hand van Adèle Sophie Cornilia Opzoomer alias A.S.C. Wallis alias mevrouw Géza Antal (1856-1925), schrijver, vertaler en een van de belangrijkste cultuurbemiddelaars tussen Hongarije en Nederland. Omringd door mannen met een hoge culturele status (haar vader was de beroemde Utrechtse filosoof C.W. Opzoomer, haar man de Hongaarse theoloog en politicus Géza Antal) en levend in patriarchale maatschappijen is het haar toch gelukt zowel een eigen literaire en essayistische productie te scheppen als ook vertaalwerk te leveren waardoor ze stukken van gecanoniseerde Hongaarse literaire werken in Nederland bekend trachtte te maken. Deze casus kan hopelijk als hulpmiddel dienen voor een methodologie van onderzoek naar cultuurbemiddelaars.
Het reisverhaal als spiegel van het denken 
Camiel Hamans (Poznań)
Reizen is meer dan een gentleman’s tijdverdrijf. Het reisverhaal daardoor ook. De werken van de Nederlandse polyglot en reisboekenauteur Olfert Dapper (1636-1689) vertelden niet alleen aan zijn landgenoten hoe het er in verre streken uitzag en hoe het daar aan toeging. Dapperts werken zijn in vele talen vertaald en eeuwenlang gezien als een Fundgrube voor vroeg antropologische informatie. Tegenover Dappers encyclopedische en op waarheid gerichte aanpak, staan imaginaire reisverhalen, zoals Hendrik Smeeks Beschrijving van het magtig koningryk Krinke Kermes (1708) of Gerrit Paape Reize door het Aapenland (1788). Deze romans hebben een politiek- filosofische strekking. Zij beschrijven in de lijn van Mores Utopia een ideale, of minstens betere wereld, waarin vroege verlichtingsidealen gepropageerd worden. Er bestaat echter ook nog een derde categorie: die van de kritische beschouwing van het bezochte gebied. Voorbeeld daarvan is de Reize door de Majory (1798) van Stephanus Hanewickel. Dominee Hanewickel beschrijft hierin zijn wandelingen door de Brabantse Meierij, waarbij hij voortdurend schimpscheuten loslaat op die achterlijke katholieken, die ten onrechte door het patriottische bestuur gelijkberechtigd zijn aan de protestantse meerderheid. In mijn voordracht zal ik laten zien hoe deze werken een spiegel vormen van het denken van hun tijd. Tevens zal er aandacht besteed worden aan de taalkundige observaties van zowel Smeeks als Hanewinckel.
De rol van Japanners bij het ontstaan van ‘Nippon’ (1832-1858), de beschrijving van Japan door Philipp Franz von Siebold (1796-1866)
Siegfried Huigen & Judyta Kuznik (Wrocław)
Een van de belangrijkste wetenschappelijke beschrijvingen van Japan uit de negentiende eeuw is het meerdelig werk Nippon van Philipp Franz von Siebold. Von Siebold heeft als arts in Nederlandse dienst tussen 1823 en 1829 op het kunstmatige eiland Decima in de baai van Nagasaki gewoond en de gelegenheid van zijn verblijf daar gebruikt om wetenschappelijke informatie over Japan te verzamelen in een tijd dat Japan nog was afgesloten voor de buitenwereld. Doordat hij zich niet vrij in Japan kon bewegen, was hij in belangrijke mate aangewezen op de hulp van Japanners. Het referaat richt zich hoofdzakelijk op de Japanners die met Von Siebold in contact stonden om vast te stellen op welke manier de door Von Siebold in Nippon gepubliceerde kennis het resultaat was van hun werkzaamheden en ook welke sporen dit heeft achtergelaten in Nippon. Dit onderzoek sluit aan bij recente ontwikkelingen in de wetenschapsgeschiedenis (zoals Kapil Raj, Relocating Modern Science, 2007) waarbij de bijdragen van niet-westerse geleerden en wetenschappelijke assistenten aan de vroegmoderne en moderne westerse wetenschap sterker op de voorgrond gesteld worden.
Een reis met twee overstappen. Poolse bewerking voor kinderen van ‘De kleine Johannes’ door Frederik van Eeden als dubbele adaptatie
Barbara Kalla & Róża Rydz-Tanona (Wrocław)
De kleine Johannes (1887) door Frederik van Eeden is in 1904 door F.L. Lubodziecka in het Pools vertaald. Deze vertaling werd later door Maria Szafirowa tot een versie voor kinderen bewerkt en in 1913 in Warschau uitgegeven als Mały Janek. Opowiadanie dla dzieci. Aan de ene kant kan men de vertaling zelf als adaptatie beschouwen. Aan de andere kant hebben we hier te maken met bewerking van de  vertaling tot een tekst die voor een ander publiek – voor kinderen –  is bestemd. Een reis met twee keer overstappen dus.
In deze bijdrage wordt het Poolse verhaal voor kinderen Mały Janek onder de loep genomen en als een dubbele adaptatie geanalyseerd. Als theoretisch kader gebruiken we A Theory of Adaptation (2006) van Linda Hutcheon. Wat ons vooral interesseert, zijn veranderingen die de tekst heeft ondergaan na de tweede ‘overstap’: van vertaling tot kinderboek. Daarom beschouwen we de Poolse vertaling uit 1904 als prototekst en de bewerking voor kinderen uit 1913 als metatekst. Enerzijds analyseren wij de adaptatie van Szafirowa als product. Wij schenken dus aandacht aan weglatingen, toevoegingen, transformaties en vervangingen om na te gaan hoe de prototekst en de metatekst van elkaar verschillen. Anderzijds wordt de adaptatie van Mały Janek voor kinderen als creatief proces geanalyseerd. Hierbij komen verschillende aspecten van herwerking en re-interpretatie van bestaand literair werk aan de orde.
Reizen op één been. ‘Voorspel van een gebroken liefde’ (2007) door Geert De Kockere & Isabelle Vandenabeele als complex cross-over prentenboek
Barbara Kalla & Monika Włodarczyk (Wrocław)
In deze bijdrage wordt Voorspel van een gebroken liefde als voorbeeld van cross-over prentenboeken besproken, prentenboeken die voor het dubbele publiek zijn bestemd. De tekst, de prenten alsook de complexe relatie tussen woord en beeld wordt aan een gedetailleerde analyse onderworpen. Aan de hand van een aantal kenmerken van het genre die Sandra Beckett in Crossover Picturebooks: A Genre for All Ages vermeldt, worden verschillende grensoverschrijdingen onderzocht. Deze grensoverschrijdingen worden door de tekst en door de illustraties zelf, alsook door de wisselwerking ertussen, gecreëerd. Tot de complexiteit van deze relaties draagt nog het feit bij dat het boek een intermediaal dialoog aangaat met het gelijknamige schilderij uit 1928 door Edgard Tytgat (1879-1957). De gepresenteerde analyse toont details die ver buiten het referentiekader van het kind reiken en Voorspel van een gebroken liefde tot een leeftijdsloos boek maken over genderrollen, liefde, leven en kunst.
Hoe goed moet een steward(ess) vreemde talen kennen? Talenkennis als ruis in de communicatie tussen cabinebemanning en passagier 
Jacek Karpiński (Wrocław)
De communicatie tussen cabinebemanning en passagier lijkt essentieel om de veiligheid aan boord te garanderen. Helaas wordt ze door een aantal (interne en externe) factoren bemoeilijkt of zelfs onmogelijk gemaakt. Een belangrijk aspect van deze communicatie is natuurlijk de taal van de zender en de ontvanger. Aangezien het feit dat de passagier niet per se het Engels – de lingua franca in de aviatie – of de taal van de luchtvaartmaatschappij moet kennen, zou hij toch met de belangrijkste veiligheidsvoorschriften aan boord vertrouwd moeten raken. Om die reden nemen de meeste luchtvaartmaatschappijen verschillende maatregelen zodat hun personeel ook met passagiers zonder talenkennis min of meer probleemloos kan communiceren.
In deze lezing worden verschillende aspecten van de communicatie tussen de cabinebemanning en de passagier onder de loep genomen en er wordt ook op het belang van een gezamenlijke taal gewezen. Gepresenteerd wordt tevens de taalpolitiek van enkele luchtvaartmaatschappijen (o.a. de Nederlandse KLM, de Poolse Enter Air ende Duitse Lufthansa), die ervoor zorgt dat er een vlotte communicatie aan boord wordt gegarandeerd.
Op reis naar (on)bepaaldheid: Markering van onbepaalde nominale constituenten in het Nederlands en het Tsjechisch
Markéta Kluková (Olomouc)
De categorie lidwoorden doorkruist veel aspecten van de taal. In het Nederlands markeren lidwoorden onder meer morfosyntactische, semantische en pragmatische eigenschappen van woorden en ze kunnen dus als bouwstenen van de zin worden beschouwd. Hoewel dit grammaticale verschijnsel elementair is voor het correcte gebruik van de taal, behoren lidwoorden tot de meest problematische terreinen van de T2- en VT-verwerving (Wethlij 1999; Cornips & Hulk 2008; Pimingsdorfer 2010).
Dat geldt ook voor Tsjechische leerders Nederlands. Terwijl het Nederlands wel lidwoorden onderscheidt, kent het Tsjechisch geen lidwoorden. Trenkic (2009) beweert dat de problemen die T2-leerders met een T1 zonder lidwoorden ondervinden, door de morfosyntactische functie van lidwoorden worden veroorzaakt. T2-leerders met een T1 die geen lidwoorden gebruikt, passen namelijk andere taalmiddelen toe om de (on)bepaaldheid en (niet-)specificiteit te onderscheiden.
Uit onderzoek blijkt tevens dat Tsjechische leerders Nederlands veel moeilijkheden hebben in de [-bepaald] context (Ungermannová 2015; Kluková 2016). Hierbij worden de meeste fouten op lagere beheersingsniveaus door omissie gemaakt. Verondersteld wordt dat dit fenomeen kan worden verklaard op basis van interferentie, aangezien de markering van (on)bepaaldheid in het Nederlands en het Tsjechisch sterk verschilt. In het Nederlands wordt de (on)bepaaldheid namelijk uitgedrukt door lidwoorden, terwijl in het Tsjechisch het thema-rhema-principe van belang is.
Deze lezing stelt zich ten doel de markering van (on)bepaaldheid met het oog op een onbepaalde nominale constituent in het Nederlands en het Tsjechisch in kaart te brengen. Er wordt een comparatieve analyse van de vastgestelde taalmiddelen uitgevoerd om vervolgens een hypothese te kunnen samenstellen met betrekking tot het problematische lidwoordgebruik in de [-bepaald] context door Tsjechische leerders Nederlands.
De rol van de sociaal tolk. Enkele socioculturele aspecten van het tolken in adoptieprocedures
Pavlína Knap-Dlouhá (Olomouc)
De bijdrage beschrijft de basis van het sociaal tolken in Tsjechië, waarbij het tolken uit en naar het Nederlands betreft. Het gebied van het sociaal tolken is in de laatste jaren sterk aan het groeien. Dit hangt o.a. samen met grote immigratiegolven waarmee Europa recent te maken heeft. In de Lage landen is dit vak dan ook al veel verder ontwikkeld dan bijvoorbeeld in de Tsjechische Republiek. Toch is er ook bij ons sprake van een groeiende nood aan mensen die op dit gebied bekwaam zijn. Er ontstaan organisaties die dit vak trachten te professionaliseren en gespecialiseerde cursussen voor sociaal tolken organiseren. Maar niet alleen immigranten kunnen vaak niet zonder een sociaal tolk. De focus van deze bijdrage ligt op het sociaal tolken in adoptieprocedures, waarbij in het concreet Nederlandse adoptieouders naar Tsjechië komen om er een kind op te halen. Nadat de stand van het vak sociaal tolken in Tsjechië en in de Lage landen in kaart is gebracht, concentreren we ons op enkele socioculturele aspecten die hierbij vaak een rol (kunnen) spelen. We proberen de rol en de functie van de sociaal tolk onder de loep te nemen. De zeer specifieke rol die een dergelijke tolk vervult, is niet gemakkelijk, diverse ethische kwesties komen aan bod. We besteden ook aandacht aan de persoonlijkheid van de tolk. Hoe moet deze eigenlijk zijn om de enorme impact van het tolken in een internationale adoptieprocedure aan te kunnen? Niet alleen het wel of niet slagen van de communicatie bij de interacties tussen aan de ene kant adoptieouders en een kind en aan de andere kant de adoptieouders en de Tsjechische overheid die bij adoptieprocedures sterk betrokken is, is nogal van de persoon van de tolk afhankelijk.
Wat is ‘Max Havelaar’ eigenlijk? Een andere visie op de genologische status van de roman
Jerzy Koch (Poznań)
Max Havelaar is verzekerd van zijn positie in de literaire canon. Maar weten we genoeg over de genologische status van deze grootste Nederlandse roman aller tijden? Gewoonlijk wordt er gewezen op de aansluiting bij diverse 19de-eeuwse literatuurtradities: de vertellaag van Batavus Droogstoppel (de zogenaamde roman I) leunt aan bij het model van de Nederlandse en Engelse humoristen, het verhaal van de andere verteller Ernest Stern (roman II) daarentegen gebruikt het patroon van de historische roman zoals o.a. door Walter Scott uitgewerkt. Zowel de structuur van Max Havelaar is op verschillende manieren ontleed, alsook is zijn receptie in het binnen- en buitenland in kaart gebracht. Maar nog steeds zijn de letterkundigen het antwoord verschuldigd op de vraag: waarom was dit boek zo’n groot succes? Waren er inhoudelijke motieven voor verantwoordelijk, anders gezegd het thema, of was het de manier waarop het romangegeven verhaald is, dus de revolutionaire vorm? De schrijver zelf zei in de Havelaar: “Het boek is bont… er is geen geleidelykheid in… jacht op effekt… de styl is slecht… de schryver is onbedreven… geen talent… geen methode…” Was dit coquetterie of een poging om kritiek te neutraliseren? Of was deze karakteristiek bloedserieus? Ik probeer beide lijnen, de thematische en de formele, in het Multatuli-onderzoek met elkaar te combineren. Ik denk dat een diepere bezinning over de genologische status van Max Havelaar en het precieze karakteristiek van het subgenre waaronder dit boek ressorteert, antwoord kan geven op de vraag naar het succesverhaal van het boek zelf.
‘Want’ als ‘omdat’ als ‘wegens’? Over de vaagheid van linguïstische categorieën
Martin Konvička (Berlijn)
Traditioneel worden want (1) en omdat (2) als onderschikkende voegwoorden gebruikt om de gebeurtenissen in een hoofdzin en in een bijzin causaal te verbinden.
1) Ik ben te laat want ik heb mijn trein niet gehaald.
2) Ik ben te laat omdat ik mijn trein niet gehaald heb.
In mijn lezing zal ik tonen hoe mede dankzij de verbreiding van de sociale media nog een andere mogelijkheid voor het gebruik van want (3) en omdat (4) ontstond. Deze nieuwe constructie vertoont gelijkenis met constructies zoals (5) met het voorzetsel wegens.
3) Vertaalhulp is aanwezig want in het Fries.
4) Zeg, heeft iemand toevallig een Australisch iTunes account die ik even mag lenen? Omdat redenen.
5) De tentoonstelling kon wegens ziekte niet plaatsvinden.
Aan de ene kant (o.a. Stefanowitsch 2014) wordt dit fenomeen als een recente ontwikkeling bediscussieerd. Aan de andere kant, zoals van der Horst (2005) opmerkt, komen de vroegste voorbeelden al in de jaren ‘60 voor. De actuele verbreiding van de constructie werd begunstigd deels door de invloed van het Engels (6) en deels door de beperkingen (max. 140 tekens) van moderne communicatiemiddelen zoals Twitter.
6) Haha, it’s funny because reasons.
Semantisch gezien wordt de reden vaak op een expressieve manier gepresenteerd. Syntactisch gezien verhouden zich het nieuwe ‘want’ en ‘omdat’ in een aantal aspecten ook buitengewoon. Zij kunnen bijvoorbeeld met blote nominale frases gecombineerd worden. Dat doet de vraag rijzen tot welke woordsoort zij eigenlijk behoren. Een voegwoord, een voorzetsel of een geheel nieuwe woordsoort? Nog interessanter wordt deze vraag door het feit dat in de laatste jaren ook een aantal andere talen deze ontwikkeling doormaken. De kwestie van de vaagheid van linguïstische categorieën vormt de theoretische achtergrond van de lezing.
Veni, vidi, egredi. Reiswerkwoorden in contrast 
Agata Kowalska-Szubert (Wrocław)
Aangekomen, gezien en vertrokken, ofwel przyjechałem, ujrzałem, wyjechałem…
Mijn bijdrage voor het Do-Hacongres in Lublin 2016 was het begin van een onderzoek naar paralellen in de morfologische bouw van Poolse en Nederlandse werkwoorden en naar gelijkenissen en/of verschillen in het paradigma voorvoegsel – werkwoordstam in de beide talen.
De bijdrage voor het Regionaal Colloquium is een volgende stap in het onderzoek. De bedoeling ervan is een analyse van werkwoorden te presenteren die op het begrip reizen betrekking hebben. Afgezien van zien in de titel komen de beide andere werkwoorden hiervoor in aanmerking, net als hun Poolse pendanten. Aan de hand van een vergelijkende morfosemantische analyse wordt bekeken:
  • of er in de beide talen (het Nederlands en het Pools) een vergelijkbare set van werkwoorden bestaat die op de activiteit ‘reizen’ van toepassing zijn;
  • hoe de werkwoorden in de afzonderlijke talen zijn gebouwd; zijn dat samengestelde of afgeleide woorden?
  • wat in het licht van de voorgaande vraag het antwoord kan zijn op de vraag of de Poolse grammatica samengestelde of afgeleide werkwoorden kent; indien niet – wordt het probleem besproken of een descriptieve vergelijking tussen Poolse en Nederlandse werkwoorden überhaupt mogelijk is;
  • of er paralellen zijn tussen de betekenissen van werkwoorden in het Nederlands en het Pools en hun morfologische vorm in de gegeven taal, en of men in deze context van enige regelmaat kan spreken;
  • of er vergelijkbare tendensen zijn vast te stellen als je een confrontatieve analyse Nederlands-Pools doorvoert.
De bijdrage wordt met Nederlandse en Poolse werkwoorden geïllustreerd.
Herinnering aan de Grote Oorlog als een reis in de tijd
Łukasz Kozak (Wrocław)
Reizen kan men ook in de tijd, bijvoorbeeld door de lezer in een roman naar het verleden te transporteren. In Oorlog en terpentijn beschrijft Stefan Hertmans de geschiedenis van zijn grootvader, Urbain Martien, nadat hij precies dertig jaar geleden in het bezit van zijn dagboek was gekomen. Oorlog en terpentijn is in 2013 verschenen en was onmiddellijk een groot succes. Hertmans is onder meer de AKO-prijs toegekend en zijn boek is al in meerdere talen vertaald (o.a. in het Pools). Het uitgangspunt voor Hertmans’ roman zijn de verhalen in het dagboek van zijn grootvader, die als soldaat in de Eerste Wereldoorlog heeft gevochten.
In het geval van Oorlog en terpentijn markeert de herontdekking van het dagboek van de grootvader het begin van een herdenkingsproject. In mijn voordracht wil ik onderzoeken hoe Hertmans de periode van het leven van zijn grootvader heeft gereconstrueerd, iets wat geen geschiedschrijving in strikte zin is, maar veeleer het construeren van herinnering, ook voor de lezers. Deze herinneringsconstructie benader ik onder andere vanuit het concept van postmemory dat door Marianne Hirsch voorgesteld is.
Bovendien zal ik ingaan op de narratologische middelen die gebruikt worden om de lezer de herinneringen te laten ervaren. Ten slotte zal ik me ook afvragen hoe het boek van Hertmans zich verhoudt tot de manier waarop de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen herinnerd wordt.
Hoeveel ruimte is er voor muziek en poëzie in het taalverwervingsonderwijs NVT in Centraal-Europa?
Milan Křiž (Olomouc)
Dankzij mijn promotieonderzoek, uitgevoerd aan de Universiteit Utrecht, heb ik een goed inzicht gekregen in hoe het Nederlands als vreemde taal (NVT) onderwezen werd aan de effectieve NVT-instellingen uit Centraal-Europa in de eerste jaren van het nieuwe millennium. Maar de tijd staat niet stil en het lijkt mij interessant om te kijken, hoe de recente ontwikkelingen op het gebied van moderne media en ICT-toepassingen het beeld hebben veranderd. Respectievelijk hoe ze tot de nieuwe manieren van lesgeven (kunnen) bijdragen. Hierbij valt te denken bijvoorbeeld aan het toepassen van video web conferencing (met moedertaalsprekers van het Nederlands), virtuele werelden, MOODLE of de ongekend gegroeide beschikbaarheid van authentieke audio- en video-opnames dankzij YouTube of websites zoals http://www.npo.nl/uitzending-gemist die een onuitputtelijke bron van materiaal voor alle niveaus studenten zijn.
Met het oog op het onderwerp van mijn habilitatieonderzoek gericht op het “Potentieel van muziek en liedjes voor het onderwijs in moderne vreemde talen n.a.v. voorbeelden van onderwijs Nederlands als vreemde taal” bekijk ik het gegroeide potentieel van het gebruik van muziek en liedjes in het vreemde talenonderwijs NVT met betrekking tot het onderwerp van dit colloquium: het (intercultureel) reizen met de taal door Europa.
Hoewel ik het ontstaan van minder traditionele elementen van het NVT-onderwijs zoals het in de Call for Papers van dit colloquium genoemde “toeristisch Nederlands”, het “les geven buiten de klas” of “samen met de studenten hun eigen stad in het Nederlands exploreren” van harte toejuich (zelf doe ik het namelijk ook al jaren), wil ik toch het voor mij persoonlijk herontdekte potentieel van poëzie niet onopgemerkt laten. Tot mijn grote verbazing blijkt poëzie – indien goed uitgezocht – namelijk zeer goed te werken o.a. voor het vergroten van de verbeeldingskracht van de studenten en het vergroten van hun woordenschat.
Woorden op reis: Nederlandse uitleenwoorden in het Tsjechisch 
Kateřina Křižová (Olomouc)
Volgens de Uitleenwoordenbank (Sijs 2015) zijn er ongeveer honderd Nederlandse leenwoorden in het Tsjechisch te vinden. Dit cijfer lijkt relatief hoog te zijn in vergelijking met de gegevens uit verschillende Tsjechische etymologische woordenboeken en Tsjechische woordenboeken van vreemde woorden. In de bijdrage zal de lijst van Nederlandse woorden die volgens de Uitleenwoordenbank door het Tsjechisch zijn overgenomen, besproken worden. Tsjechische woorden van Nederlandse oorsprong zullen volgens verschillende criteria gesorteerd worden, o.a. thematisch of hoe vaak ze in het hedendaags Tsjechisch gebruikt worden (op basis van de gegevens uit enkele Tsjechische corpora). Ik zal ook nagaan hoe de beschreven Nederlandse woorden aan het Tsjechische taalsysteem aangepast zijn. In dit verband zullen ook een paar korte reisbeschrijvingen van Nederlandse woorden naar het Tsjechisch vertaald worden.
De antropologische dimensie van de reiservaring aan de hand van reisverslagen naar Suriname
Ewa Kruk (Wrocław)
Traditionele opvattingen over reizen benadrukken de dimensie van de ruimtelijke beweging en het oversteken van geografische grenzen. Binnen de culturele antropologie wordt deze betekenis uitgebreid tot het oversteken van de mentale beperkingen van de reiziger. Van even groot belang wordt dus de cognitieve waarde van het reizen in de betekenis van het verkrijgen van kennis over andere landen en culturen, alsook de waarde van het reizen voor de ontwikkeling van de reiziger. Het materiële resultaat van beide manieren van reizen zijn de reisverslagen.
In deze lezing zal ik een antropologische analyse van reisverslagen van reizen naar Suriname uitvoeren. De motieven om naar Suriname te reizen verschilden door de eeuwen heen. Veel reisverhalen uit de koloniale periode bevatten gedetailleerde informatie over het Surinaamse klimaat, de natuur, volkeren en hun culturen naast persoonlijke ervaringen met betrekking tot het bestaan van de blanke man in tropische omstandigheden (Laarman 2013). Het gemeenschappelijk doel van deze relazen was om blanke Europeanen (voornamelijk Nederlanders) aan te moedigen om zich in de Zuid-Amerikaanse kolonie te vestigen (Kunitz, 1805, Philippe 1765). Er waren ook kritische verslagen met een sterk antikoloniale boodschap die tot vandaag de dag in het onderzoek en academisch kader inspirerend zijn (met name Stedman 1813). De eerste reizigers naar Suriname kunnen „zoekers naar authenticiteit” genoemd worden, die een eerlijk verslag probeerden te geven van hun verbazing over de vreemde cultuur en gewoontes, hoewel dat tegelijk in overeenstemming met het West-Europese ideaal van de Verlichting gebeurde. De hedendaagse verslagen over reizen naar Suriname, die meestal op internetblogs zijn gepost, maken vaak gebruik van het discours van „de echte reiziger” die zich in tegenstelling tot de massatoerist positioneert (Podemski 2004). De hedendaagse reizigers benadrukken de wens om „authenticiteit” te ervaren en verklaren hun openheid voor mentale veranderingen die onder invloed van reizen plaatsvinden en noemen zich „ervaringszoekers”. De in de lezing geanalyseerde voorbeelden tonen dat de reiziger altijd met eigen vooroordelen en interpretatieve schema’s geconfronteerd wordt en dat hij meer ervaart dan hij verwachtte, hoewel het soms geen aangename ervaringen zijn.
Waarom leer je Nederlands? – over de rol van motivatie en houding in tweede- en vreemde-taalverwerving
Agnieszka Kucfir (Wrocław)
In de tijd van toenemende mobiliteit en migratie lijkt het verschijnsel van tweede- en vreemde-taalverwerving actueler dan ooit. In het proces van het leren van een tweede taal spelen verschillende factoren een belangrijke rol, onder andere leeftijd, taalaanleg, leerstijl, persoonlijkheid en motivatie. Wat de motivatie betreft, gaat het vooral om de houding van een T2-leerder met betrekking tot de tweede taal en zijn wil en doel om de taal te leren. Hier kan men twee soorten motivatie onderscheiden: integratieve en instrumentele. We spreken over integratieve motivatie als een T2-leerder wil deelnemen aan de cultuur van de doelgemeenschap; bij instrumentele motivatie is de benadering slechts pragmatisch – een persoon leert de vreemde taal met als doel bepaalde taken uit te kunnen voeren. Bij de aspecten houding en motivatie zijn ook sociale factoren van groot belang. Sommige T2-leerders kunnen bang zijn hun groepsidentiteit te verliezen en niet meer bij de eigen groep te horen (bijvoorbeeld door een bepaalde uitspraak). Daarom weigeren ze de doeltaal te leren of gebruiken ze een gebrekkige versie ervan. In het geval van vreemde-taalverwerving spelen ook andere factoren een invloedrijke rol, zoals economische, culturele en toeristische doeleinden. In mijn bijdrage wil ik de belangrijkste factoren bespreken met betrekking tot de motivatie en houding van Poolstalige cursisten die Nederlands als tweede en vreemde taal leren. Hierbij worden in de eerste plaats de overeenkomsten en verschillen geanalyseerd tussen leerders die een cursus Nederlands in Nederland volgen en personen die aan een dergelijke cursus in Polen deelnemen. Bovendien wordt er onderzocht in hoeverre de houding ten opzichte van Nederland en Nederlanders van belang is. Ten slotte tracht ik  antwoord te geven op de vraag hoe docenten de motivatie van leerders (positief) kunnen beïnvloeden.
De dimensies van het reizen in rouwpoëzie van de 21ste eeuw. Boskma, Enquist, Knibbe
Bram Lambrecht (Leuven)
De introductie van het postmodernisme in het Nederlandse taalgebied in de late Jaren tachtig, met zijn problematisering van taal en subject, heeft niet belet dat de opvatting van de poëzie als een kanaal voor de expressie van emoties uiterst populair is gebleven. Het gedicht blijft voor vele dichters tot vandaag een medium waarin het ik zichzelf en zijn of haar emoties kan uitspreken – al blijken gevoelsbelijdenis en een problematisering daarvan niet altijd onverzoenbaar te zijn. Een symptoom van zo’n visie op poëzie is het kwantitatieve belang van rouwpoëzie in de eenentwintigste eeuw, van dichtbundels die zijn geschreven naar aanleiding van de dood van een verwant van de dichter of een publieke figuur. Zulke bundels bieden poëtische herinneringen aan de overledene en/of geven gestalte aan het rouwproces van een individu of een collectief. Al blijven diverse rituele, vaak religieus bepaalde voorschriften voor het rouwen op de achtergrond aanwezig, toch krijgt het rouwproces in zulke rouwbundels steevast een subjectieve invulling. Het gaat gepaard met de enscenering van bepaalde emotioneel geladen objecten, het wordt ingeschakeld in een intertekstueel netwerk of het grijpt plaats tijdens en dankzij een reis van het lyrisch subject. In mijn lezing wil ik dan ook – met het oog op het thema van het colloquium – de dimensies van het reizen bestuderen in drie rouwbundels uit de recente poëzieproductie: De tussentijd (2004) van Anna Enquist, De buigzaamheid van steen (2005) van Hester Knibbe en Doodsbloei (2010) van Pieter Boskma. Ik wil niet alleen analyseren hoe deze drie dichters het reizen representeren, maar ook welke rol het speelt in het rouwproces van het lyrisch ik dat wordt geënsceneerd en op welke manier de relatie tussen rouwen en reizen kan worden begrepen tegen de achtergrond van hedendaagse opvattingen over dood, verlies en rouw.
Het beeld van Nederland en België in de gekozen Poolse reisgidsen
Magdalena Lipnicka (Lublin)
De twintigste eeuw is de eeuw van de ontwikkeling van het toerisme. Mensen reizen wegens verschillende doeleinden en naar verschillende plaatsen, vaak gebruiken ze reisgidsen. Een reisgids is een specifieke publicatie die bedoeld is om reizigers informatie te geven over de plaats of plaatsen die zij van plan zijn te gaan bezoeken. De reisgids is geen reisliteratuur of reisverslag die meestal persoonlijke ervaringen van de auteur(s) bevat. In veel gevallen zijn ze ook door mensen geschreven, die auteurs van andere gidsen zijn. Daarom zijn reisgidsen vaak oppervlakkig. Naast een beschrijving van monumenten of plaatsen bevatten ze vaak veel stereotypen. Daarnaast zijn ze vaak de eerste boeken die door toeristen zijn gelezen. In mijn korte presentatie wil ik een korte culturele en taalkundige analyse van de Poolse reisgidsen over Nederland en België geven om het beeld van die landen te tonen. Ik wil beginnen met de eerste ‘reisgidsen’ uit het begin van de 20ste eeuw. Die ‘reisgidsen’ werden door F. Morzycka in 1907 geschreven. Dit beeld vergelijk ik met het beeld van de Nederlanden in een paar moderne Poolse reisgidsen. Wat is het imago van Nederland en België in die moderne toeristische gidsen? Zullen we daar ook stereotypen vinden? Deze vragen zal ik proberen te beantwoorden.
Nederlands-Indië in Poolse ogen. Reisverhaal of waardevolle opmerkingen? Michał Siedleckis ‘Jawa. Przyroda i sztuka. Uwagi z podróży’ en ‘Opowieści malajskie’
Marcin Lipnicki (Lublin)
Michał Siedlecki was Poolse botanicus en zoöloog. Hij was hoogleraar aan de Universiteit Kraków. In 1907 kreeg hij een subsidie om naar Nederlands-Indië te gaan. Daar verrichte hij zijn onderzoek. Zeven jaar na zijn terugkomst publiceerde hij Jawa. Przyroda i sztuka. Uwagi z podróży. Dat was eerst boek over Java in het Pools. Zijn boek bevatte niet alleen waardevolle opmerkingen over planten- en dierenwereld maar ook heel veel uitleg over maatschappelijke relaties ter plaatse. Het boek was rijk geïllustreerd en was ook heel populair. Siedlecki als ervarende onderzoeker waarnam bijna alles. Dat betrof ook Nederlanders en hun gedrag in Nederlands-Indië. Zijn overwegingen bracht hij ook in Opowieści malajskie tot uiting. Maar hierin koos hij vooral voor literaire stijl en fictie. In mijn bijdrage wil ik zijn houding jegens Nederlanders presenteren en zijn twee werken met elkaar vergelijken. Jawa is een wetenschappelijk boek dat enkele opmerkingen over Nederlanders bevat. Opowieści malajskie is een literair werk waar meer persoonlijk Mering van prof. Siedlecki aan bod komt. Beide zijn waardevolle werken die na zijn reis naar Java zijn geschreven.
‘Poolse kwestie’ in Nederland in de jaren 1914-1918. Culturele propaganda en kennisoverdracht
Małgorzata Łyczykowska (Poznań)
Ter gelegenheid van de voor 2018 geplande vieringen van honderd jaar Poolse onafhankelijkheid wordt de kwestie van de Grote Oorlog steeds vaker besproken in het publieke debat. De meeste Poolse deskundigen beschouwen de Eerste Wereldoorlog echter teleologisch, door het prisma van de herstelde onafhankelijkheid.
Onderbelicht blijft het feit dat “de Poolse kwestie” niet alleen op de door de Centralen ingenomen gebieden present was, maar ook in de neutrale landen. Nederland was een van de landen waar de kennisoverdracht over Poolse gebieden/Poolse cultuur plaatsvond, mede in het institutionele kader van instellingen die verantwoordelijk waren voor culturele propaganda en die tot stand zijn gebracht door zowel het Duitse Rijk als de Entente.
In de bijdrage ga ik mijn doctorale project presenteren, gericht op de historiografische beschrijving en analyse van mechanismen van kennisoverdracht over “de Poolse kwestie” die dankzij deze instellingen mogelijk was. Ten eerste wordt de rol van culturele propaganda van de Entente en de Centralen in Nederland onder de loep genomen. Ten tweede wordt “de Poolse kwestie” in de  culturele propaganda in andere neutrale landen geanalyseerd. Hiervoor moeten ook de handelingen van individuen en instellingen bestudeerd worden die betrokken waren bij kennisoverdracht over “de Poolse kwestie”. Het onderzoek is vooral gebaseerd op archiefmateriaal (Politisches Archiv des Auswärtigen Amts in Berlijn, Archiwum Narodowe w Krakowie, Nationaal Archief in Den Haag) en de toen gepubliceerde persberichten.
Het Nederlands op reis, of wat we kunnen leren van het Laegh Duits van de Amerikaanse Oostkust
Jaap van Marle (Heerlen)
Wanneer je op reis gaat, kan er van alles met je gebeuren. Zo is het ook met talen. Het Nederlands heeft heel wat afgereisd en er is ook van alles met het Nederlands gebeurd. Zo is het soms spoorloos verdwenen, zoals het de taal van de Vlaamse kolonisten in Pembrokeshire. Of het is sterk veranderd, getuige het Afrikaans. Soms is het zelfs onduidelijk of een met het Nederlands geassocieerde taal ooit wel ‘echt Nederlands’ is geweest. Dit laatste is het geval met Wymysoojs in het zuiden van Polen. Maar een taal kan ook heel langzaam wegkwijnen. Een extreem voorbeeld is het Laegh Duits (= Nederlands!) dat eeuwenlang werd gesproken aan de Amerikaanse Oostkust (in de staten New York en New Jersey). Interessant aan het Laegh Duits is dat het ons laat zien hoe de allerlaatste levensfase van een taal eruit kán zien. Toen deze variëteit van het Nederlands al lang niet meer werd gesproken, leefde deze taal ‘louter lexicaal’ voort in het Engels van de nakomelingen van deze sprekers. In talloze etnisch-Nederlandse families bleef men namelijk Nederlandse woorden gebruiken. Zoals gezegd, dit was in hoge mate een aspect van het informele taalgebruik binnen de familie. Veel etnische Nederlanders waren dermate trots op hun Nederlandse ‘roots’ dat velen van hen woorden die zij zich van ouders en vooral ook grootouders herinnerden bewust koesterden. Maar deze ‘verering’ van het Nederlands was zelfs zo sterk, dat Sommie woorden zich een veel algemenere plaats in het Engels van deze voormalige Nederlandse gebieden hebben verworven. In mijn bijdrage hoop ik deze ‘lexicale herinnering’ aan het eens op grote schaal gesproken Nederlands aan de Amerikaanse Oostkust nader te illustreren en te typeren.
Het reismotief in de romans van Tommy Wieringa ‘Joe Speedboot’, ‘Caesarion’ en ‘ Dit zijn de namen’
Sonya Mihaylova Dimitrova (Veliko Tarnovo)
In het ouvre van Tommy Wieringa staat het reizen centraal. Daarbij gaat het niet alleen om zijn bundels reisverhalen, maar ook om de uiteenlopende immersies van het reismotief in zijn romans, met name bewegen en experimenteren, verhuizen en zoeken, vluchten en zwerven.
In het coming-of-ageverhaal Joe Speedboot speelt de oppositie stilstand – beweging een belangrijke rol. Terwijl Fransje in een rolstoel zit en alleen zijn rechterarm kan bewegen is Joe geboren voor het avontuur. Hij maakt bommen, bouwt een vliegtuig en verbouwt een shovel om aan de rally Parijs-Dakar mee te doen.
In Caesarion wordt een moderne odyssee beschreven. De hoofdpersoon Ludwig Unger woont en reist over de hele wereld bijv. naar Alexandrië, Engeland, de VS etc. Zijn leven is een zoektocht naar zichzelf en naar de waarheid over de relatie met zijn ouders – een pornoactrice en een destructieve kunstenaar.
In het spirituele en sombere Dit zijn de namen ligt het accent op een groep vluchtelingen van verschillende afkomst die „het beloofde land” willen bereiken. Nadat ze door smokkelaars worden misleid beginnen ze eindeloos te zwerven door de Oekraïense steppe. Uiteindelijk belanden ze in de fictieve stad Michailopol bij politiecommissaris Pontus Beg die in de loop van het verhaal van joodse afkomst blijkt te zijn.
Reizen betekent natuurlijk je niet alleen fysiek verplaatsen maar heeft ook consequenties voor de persoonlijkheid. Daardoor kan je je uiten en dichterbij jezelf komen (Joe Speedboot en Caesarion) of in het meest extreme geval jezelf kwijt raken, van jouw land, wortels en identiteit vluchten (Dit zijn de namen).
Kort reisverhaal van twee Nederlandse leenfonemen: lexicale [ʃ] en [ʒ] in het Corpus Gesproken Nederlands
Roland Nagy (Boedapest)
De Nederlandse leenfonemen vertonen een grote diversiteit wat betreft de graad van ingeburgerdheid in het inheemse fonologische systeem. Ingeburgerdheid kan op verschillende manieren worden gedefinieerd, onder meer in termen van gemarkeerdheid. Zolang een ontleend segment voor de native speaker gemarkeerder is dan geërfde, inheemse segmenten, bestaat er een kans op adaptatie, waarbij het segment vervangen wordt door en inheemse klank, bv. chagrijnig [ʃɑˈɣrɛinəx]>[sɑˈɣrɛinəx]. Hoewel de verschillende taalkundige tradities het niet altijd eens zijn met elkaar over de definitie van gemarkeerdheid (vgl. bv. de Praagse School of de Generatieve traditie) kan toch aangenomen worden dat frequentie er een essentiële rol in speelt. In mijn bijdrage geef ik eerst een kort overzicht van het reisverhaal van de leenfonemen [ʃ] en [ʒ] in het Nederlands, dan neem ik de frequentie van de leenwoorden met een lexicale [ʃ] of [ʒ] in het Corpus Gesproken Nederlands onder de loep. In mijn onderzoek wil ik nagaan welke van deze leenwoorden werkelijk worden gebruikt in de gesproken taal en welke komen uitsluitend voor in de geschreven taal. Op basis van de frequentiegegevens van de woorden kunnen er ook conclusies getrokken worden i.v.m. de gemarkeerdheid en de ingeburgerdheid van de twee leenfonemen.
Franse beeldvorming over de Nederlanden in 17e-eeuwse reisverslagen
Andreas Nijenhuis-Bescher (Grenoble)
Er is nauwelijks historische literatuur over de relatie tussen Nederland en Frankrijk in de eerste helft van de zeventiende eeuw. De negatieve relatie die sinds de Zonnekoning en Stadhouder-koning Willem III dominant werd, wordt voorafgegaan door een heel nauwe band in een voor beide landen fundamentele periode. De culturele fascinatie was lange tijd wederzijds en de Nederlandse maatschappij heeft een zekere invloed gehad op Frankrijk, die historici vaak over het hoofd zien. De centrale plaats van de Republiek in het centrum van de Franse absolutistische monarchie, Versailles, is daarvan een perfect voorbeeld.
De verslechtering van de onderlinge relatie in de tweede helft van de zeventiende eeuw, door de expansiedrang van Lodewijk XIV, is achteraf erg bepalend gebleken voor de wederzijdse perceptie. Uit reisverslagen blijkt dat Frankrijk tot rond 1648 over het algemeen buitengewoon positief over de Nederlanden was. De Fransen waren tot aan de Hollandse Oorlog (1672-1678) gefascineerd door deze kleine maar machtige bondgenoot. Ze waren onder de indruk van het functioneren van een multireligieuze samenleving en het florissante economische en intellectuele leven in de Nederlandse steden.
In de eerste helft van de zeventiende eeuw – de ‘Gouden Eeuw’ voor Nederland en de ‘Grand Siècle’ voor Frankrijk was er veel contact tussen beide landen. Beide werkten nauw samen in hun gemeenschappelijke strijd tegen Spanje. Gedrukte Franse reisverslagen en -gidsen geven een goed beeld van de Franse visie op de Verenigde Nederlanden. De Franse reizigers waren zeer geïnteresseerd in de Republiek, diens politieke en religieuze stelsel, de (stedelijke en maritieme) economie, en het intellectuele leven.
Omdat reizen een lange, dure en soms gevaarlijke aangelegenheid was en bovendien een educatief doel diende, was het gebruikelijk om een reisverslag te schrijven. Dat werd vaak uitgegeven en er ontstaat in de 17e eeuw een heuse literaire mode, namelijk die van de reisliteratuur. In boekvorm hadden de reisverslagen meer bereik dan in briefvorm of als handgeschreven reisdagboek. Ook verschijnen de eerste moderne reisgidsen in deze periode.
Voor deze bijdrage zal ik de reisverslagen en -gidsen met elkaar vergelijken en onderzoeken op de beeldvorming over de onderwerpen die in de Nederlanden van de Gouden Eeuw het meest opvielen in de ogen van Franse reizigers.
Noodgedwongen op reis: over vluchtelingenheimwee in Nederland
Jelica Novaković-Lopušina (Belgrado)
De oorlog in ex-Joegoslavië heeft voor een vloedgolf van vluchtelingen gezorgd waarvan een deel zich in Nederland heeft gevestigd. Hun traumatische ervaringen maar ook de onvermijdelijke cultuurbotsing in hun nieuwe vaderland hebben literaire neerslag gevonden zowel in werken van Nederlandse auteurs, zoals in de roman „De laatste ontsnapping” van Jan van Mersbergen, als in poëzie en proza van Servische auteurs, waarvan sommigen ook in het Nederlands hebben geschreven en anderen na een tijd weer teruggekeerd zijn naar hun land van herkomst. Hun emoties, met name hun heimwee en hun gespletenheid, worden op verschillende manieren vertolkt, maar altijd getuigen ze even aangrijpend van het drama van ontheemden. Een analyse van de beelden die gebruikt worden om de nieuwe omgeving te schetsen vertelt veel over de manier waarop naar de Nederlandse cultuur en mentaliteit gekeken wordt door De Ander die noodgedwongen op reis moest.
Op reis met Jan van Brederode (ca. 1400) – toen en nu
Frits van Oostrom (Utrecht)
Jan van Brederode kwam ter wereld op kasteel Santpoort (nabij Velsen in Noord-Holland), het stamslot van zijn familie, vandaag de dag nog als romantische ruïne bezoekbaar. Op het eerste gezicht lijkt hij op en top exponent van puur Hollandse Middeleeuwen, met allerlei besognes en relaties in die regio. Maar bij nader toezien blijkt hij ook zeer internationaal te hebben geleefd, en veel te hebben gereisd, tot zijn geluk en ongeluk. De tegenwoordige neerlandicus die Jan van Brederode bestudeert, kan zich hieraan spiegelen. Zo iemand moet ter zake kundig zijn in de lokale taal en bronnen, maar ook vrij durven reizen, over de grenzen van disciplines, talen en landen heen. Het internet is daarbij een ongeëvenaard voertuig, maar de serieuze reiziger zal ook zelf bibliotheken en archieven moeten bezoeken (en een slagveld). Als resultaat kan hij (of zij) volop verhalen doen – zoals hopelijk gaat blijken uit deze voordracht, een voorproefje van een later dit jaar te verschijnen boek.
Letterkundige reisagenten. Over de rol van de 19de-eeuwse Nederlandse literatuurhistorici in de reis terug naar de 17de eeuw
Przemysław Paluszek (Opole/Poznań)
In “The Making of Culture Repertoire and the Role of Transfer “ (Target, 9 (2), 1997, pp. 373-381) schrijft Itamar Even-Zohar over het werk van de agenten van transfer (agents of transfer), wiens taak het is  bepaalde schrijfpatronen, thema’s of motieven naar het culturele netwerk van een bepaald (land)gebied over te brengen. In Even-Zohars tekst gaat het om dichters of vertalers als agenten. De eersten proberen iets nieuws te introduceren, de tweede groep bemiddelt bij het overbrengen van nieuwe literaire vormen. Het beoordelen van (de realisaties) van deze nieuwe literaire vormen en het vaststellen van het culturele repertoire zijn de taken van de agenten, die in het daaropvolgende stadium van het transferproces actief zijn, namelijk literaire critici en literatuurhistorici. De laatstgenoemden hebben ook de mogelijkheid om het culturele repertoire te herwaarderen door hun rol in het proces van de canonvorming, vooral met betrekking tot oudere teksten.
De hoofdstukken uit de literatuurgeschiedenissen uit de jaren 1868–1921/1927 die de Gouden Eeuw behandelen, vormen het onderzoekscorpus voor deze bijdrage. Deze teksten zullen worden geplaatst in de context van de vorming van de Nederlandse (nationale) identiteit. Op basis van de geselecteerde representatieve voorbeelden ben ik van plan om aan te tonen hoe de inhoud van het compendium door het wetenschappelijke interesse van de auteur wordt bepaald en in verband daarmee hoe het werk van literatuurhistorici, beschouwd als transferagenten, tot de Nederlandse (nationale) identiteitsvorming bijdraagt.
Vertalen voor toerisme: een oefening in persuasieve teksten. Casus: de Nederlandstalige brochure over Zagreb
Željana Pancirov-Cornelisse & Ana Marija Žagar & Frieda Steurs (Zagreb/Leuven/Leiden)
Zagreb is de hoofdstad van de Republiek Kroatië. Zeer belangrijke informatie die pas aan het einde van de brochure van Zagrebs Bureau voor Toerisme (uit 2016) vermeld staat. De brochure dient toeristen te informeren en te overtuigen om naar Zagreb te komen en zijn unieke identiteit te ontdekken. Een passende lay-out en overtuigende tekst is van groot belang om toeristen aan te trekken. Hoewel marketing zeer belangrijk is voor de juiste presentatie kan de doeltaal van de beoogde klanten invloed op de toeristische en zakelijke activiteiten hebben (Steurs 2016). Persuasieve teksten dienen de informatie naar de lezer over te brengen om zijn attitude te beïnvloeden. Om te zien of de brochure inderdaad overtuigend is en of zijn functie succesvol bereikt wordt is er een kwalitatieve studie verricht.
De studie bestaat uit twee delen. Het eerste deel wordt uitgevoerd in de vorm van een lezersonderzoek op basis van de plus-en-minmethode van Hoeken (1998). De proefpersonen zijn moedertaalsprekers Nederlands uit Nederland en Vlaanderen. Het tweede deel betreft een eigen knelpuntanalyse van de brochure. Tot slot wordt er een herschrijfadvies gesuggereerd dat gebaseerd is op de resultaten van het lezersonderzoek en knelpuntanalyse.
Deze resultaten zouden eveneens eventuele verschillen in het overtuigingssucces tussen moedertaalsprekers Nederlands uit België en Nederland naar voren kunnen brengen. Een verzorgde analyse kan niet alleen leiden tot beter geïnformeerde, gemotiveerde en geïnteresseerde toeristen, maar ook tot een hogere opbrengst voor de stad en zijn bewoners.
Transfer van de Nederlandse beeldende kunst op het veld van het Nederlands Internationaal Cultuurbeleid
Dorota Pawlicka (Poznań)
Het Nederlands Internationaal Cultuurbeleid is grotendeels gebaseerd op cultureel-politieke outsourcing. Menige semionafhankelijke organisaties houden zich bezig met de distributie van geldmiddelen op het gebied van beeldende kunsten. Ze worden gefinancierd door de overheid en vormen in feite overheidsinstanties. In het onderzoek wordt er gekeken naar de karakteristiek van de relatie tussen het Nederlands Internationaal Cultuurbeleid en het transfer van de Nederlandse beeldende kunst naar het buitenland. Er wordt de vraag gesteld welke actoren de belangrijkste rol in het besluitvormingsproces spelen en in welke mate de heteronomische factoren van de uitvoer van culturele artefacten de autonomie van de kunst beïnvloeden.
De analyse is geconcentreerd op het culturele contact van Nederland met de landen achter het IJzeren Gordijn (met name Polen en Joegoslavië). De archieven van onder andere het Nederlands Instituut voor Internationale Culturele Betrekkingen (1955-1959), de Coördinatiecommissie voor Internationale Culturele Betrekkingen (1968-1978), het Ministerie van Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk (1969-1978), de Afdeling Kunsten van het Ministerie van Onderwijs, Kunst en Wetenschap (1946-1964) werden verzameld in het Haagse Nationaal Archief en vormen de basis voor het onderzoek.
Van pool tot pool. Syntagmatische mobiliteit in het Nederlands
Jan Pekelder (Praag/Parijs)
Deze bijdrage is methodologisch van aard. Doel is te laten zien dat er goede redenen bestaan om de tientallen principes, die in de vakliteratuur met betrekking tot constituentenvolgorde worden voorgesteld, zijn terug te voeren op drie basisprincipes: het iconisch principe, het grammaticaal principe en het situationeel principe. Ervan uitgaande dat het object van de moderne taalkunde de onbewuste (taal)kennis van native speakers is, proberen we te laten zien dat het iconisch principe teruggaat op algemene kennis, het grammaticaal principe op taalkundige kennis en het situationeel principe op pragmatische kennis.
De Bulgaarse vertaling van Arnon Grunbergs ‘Tirza’ onder de loep genomen
Nikolay Popov (Veliko Tarnovo)
Literaire vertalingen zijn a priori bedoeld voor een breder publiek dat over weinig tot geen kennis beschikt van de brontaal en -cultuur. Trouwens, dit is een van de redenen waarom de gewone lezer naar een vertaling grijpt. Hij wil namelijk iets nieuws over de broncultuur te weten komen. Daarbij vertrouwt hij onbewust op de vertaler en beschouwt de vertaling zelf als een onvervalste kopie van het originele werk. De doeltaallezer kan immers de vertaling niet op equivalentie beoordelen juist wegens de ontbrekende kennis van de brontaal, maar hij hoeft dit gelukkig niet te doen. Anders gaat het leesplezier al gauw verloren, wat wel bij een doeltaallezer kan voorkomen die zowel de brontaal, als de broncultuur goed kent. Het leesproces kan in dat geval al vaak worden gestoord door een cognitieve vergelijking van de doeltekst met de presumptieve brontekst. Deze vergelijking wordt telkens weer in gang gezet, wanneer een doeltekstwoord op een of andere manier boven de andere in de context uitsteekt. Het gaat meestal om taal- en cultuurgebonden elementen die speciale aandacht vereisen. Aan de hand van voorbeelden uit de Bulgaarse vertaling van Grunbergs Tirza wordt er in deze bijdrage aanschouwelijk gemaakt welke deze taal- en cultuurgebonden elementen uit de brontekst zijn die de meeste problemen hebben opgeleverd voor de Bulgaarse vertaler.
In het land van koppensnellers. Ferenc Witti op Borneo
Gábor Pusztai (Debrecen)
Er wordt in de reisliteratuur van de 19de eeuw een behoorlijk negatief beeld gecreëerd van het eiland Borneo. Verschillende ontdekkingsreizigers, militairen en missionarissen beschrijven het eiland als een levensgevaarlijke, gruwelijke plaats. Het vreemde (de inheemsen) wordt als bloeddorstig en wreed neergezet. In mijn lezing doe ik een poging de dagboeken ven de Hongaarse ontdekkingsreiziger Ferenc Witti (1850-1882) in deze context van de 19de eeuwse beeldvorming over Borneo te plaatsen en op de vraag een antwoord te vinden, waarom Witti’s tekst anders is dan die van zijn tijdgenoten.
‘Een Hongaartje in huis’. Vluchtelingenpolitiek als didactische boodschap in Nederlandstalige kinder- en jeugdliteratuur
Orsolya Réthelyi (Boedapest)
Kinder- en jeugdliteratuur heeft bijna altijd een nadrukkelijke opvoedende functie, omdat de maatschappij er baat bij heeft om de heersende normen en waarden van een bepaalde tijd en plaats door kinderboeken over te dragen een de volgende generatie. Na de Eerste Wereldoorlog was grote ontwrichting en armoede ontstaan in Hongarije. De Nederlandse overheid bood aan om kinderen uit arme gezinnen voor een periode in Nederlands op te vangen om daar aan te laten sterken. Na de mislukte opstand in 1956 kwamen weer nieuwe vluchtelingen uit Hongarije naar Nederland en België. Aan de hand van een imagologische analyse van een twintigtal kinder- en jeugdboeken van de twintigste eeuw zal ik het beeld van de Hongaarse vluchteling in dit specifiek genre laten zien vanuit historisch perspectief.
Morfologische tendensen van intrasententiële codewisseling tussen het Nederlands en het Engels
Iva Rezková (Praag)
In de lezing zullen we één aspect van het dissertatieonderzoek voorstellen, namelijk de waarnemingen met betrekking tot morfologische tendensen van intrasententiële codewisseling tussen het Nederlands en het Engelse. Het onderzoek neemt een puur grammaticale richting en analyseert de structuur van tweetalige zinnen. We hebben een schriftelijk corpus met 450 voorbeelden van Nederlands-Engelse codewisseling samengesteld, het corpus zullen we beschrijven en analyseren vanuit een morfologische invalshoek. De bedoeling is om na te gaan hoe Engelse woorden zich morfologisch gedragen in Nederlandse zinnen; passen ze zich aan de Nederlandse zinstructuur aan of behouden ze kenmerken van de oorspronkelijke taal?
Een alternatieve reisgids als didactische methode
Maarten Rombouts (Zagreb)
Toerisme in Kroatië wordt steeds belangrijker en groeit elk jaar weer. Niet alleen tijdens de zomer en aan de kust, maar ook het binnenland en het hele jaar groeit in populariteit. Van de meer dan 65 miljoen overnachtingen in 2015, waren er bijna 2,5 miljoen Nederlands. Elk jaar weer groeit het aantal Nederlanders dat in Kroatië op reis gaat. Voor onze studenten is kennis van toeristisch taalgebruik dan ook belangrijk. Jarenlang bereidden veel toeristen zich op een reis voor met behulp van een reisgids. Meer en meer echter gebruiken ze alternatieve manieren en willen ze persoonlijker reisadvies. Dit jaar wil ik met mijn studenten een alternatieve reisgids samenstellen. De studenten kiezen hun eigen favoriete plek in Kroatië. Buiten de vereiste toeristische gegevens en tips, zoals beste tijd in het jaar om te bezoeken, wat niet te missen, openingsuren, etc., vertellen de studenten ook waarom het volgens hen een must is om die plaats te bezoeken. De doelgroep voor deze alternatieve reisgids bestaat in de eerste plaats uit Nederlandse en Belgische studenten die (voor het eerst) naar Kroatië komen. Zowel het taalgebruik als het aanbod moet daaraan aangepast worden. Als methodologie ga ik eerst samen met hen de bestaande Nederlandstalige reisliteratuur bestuderen om hen het specifieke jargon bij te brengen. Daarnaast bestuderen we ook wervend taalgebruik. Vervolgens wordt in groep het resultaat verfijnd. Op het colloquium worden de resultaten en het proces voorgesteld.
De verstaanbaarheid van de Belgisch-Nederlandse omgangstaal voor Centraal-Europese studenten Nederlands. Een verkennende bijdrage
Sofie Royeaerd (Brno)
Studenten reizen steeds meer. Onder andere dankzij de opkomst van goedkope luchtvaartmaatschappijen kunnen zij zich tegenwoordig een weekendje Amsterdam of Gent veroorloven. Ook buiten uitwisselingsprogramma’s en zomercursussen om komen Centraal-Europese studenten Nederlands zo in aanraking met verschillende variëteiten van het Nederlands. De vraag is in hoeverre zij deze variëteiten verstaan met de bagage die zij aan hun thuisuniversiteit hebben meegekregen. Een veelgehoorde klacht is dat studenten Nederlands buiten de Lage Landen, maar ook in Franstalig België, moeilijkheden ondervinden met de omgangstaal van Vlamingen, de zogeheten tussentaal. Tot dusver werd echter nog niet onderzocht hoe (on)verstaanbaar deze variëteit is voor studenten Nederlands die de noordelijke en/of zuidelijke variëteit van de Nederlandse standaardtaal kregen aangeleerd, zoals ook Kevin Absillis, Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof (2012: 23) in de inleiding van De manke usurpator, een bundel over Verkavelingsvlaams, aanstippen. In deze verkennende bijdrage wil ik de vraag opwerpen of het mogelijk en wenselijk is om dit hiaat in het tussentaalonderzoek op te vullen.
Tsjechische vertalingen en Tsjechische receptie van Nederlandse toneelstukken in de twintigste eeuw
Lucie Sedláčková (Praag)
In mijn bijdrage stel ik mijn project voor waarin ik de Tsjechische vertalingen en Tsjechische receptie van Nederlandstalige toneelstukken in de twintigste eeuw in kaart wil brengen. Ik zal hiermee aansluiten aan het reeds verrichte onderzoek naar de Tsjechische receptie van de toneelstukken van Herman Heijermans. Aangezien Heijermans in de loop van de twintigste eeuw de meest vertaalde en opgevoerde Nederlandstalige toneelschrijver was, is het mogelijk om uit te gaan van een grote hoeveelheid van verzamelde feiten en verrichte analyses. In het kader van het geplande project zal het mogelijk zijn om de circulatie van het Nederlandse en Vlaamse toneel in het Tsjechisch in al zijn breedte in kaart te brengen. Het project zal tevens de leemte vullen die er ontstaan is door langdurig gebrek aan wetenschappelijke belangstelling voor drama binnen de internationale neerlandistiek.
‘Functie van Spreken is Zilver…’ als een leerboek
Markéta Šemberová (Olomouc)
Het studieobject van deze bijdrage is het leerboek Nederlands genaamd Spreken is Zilver… Dit leerboek werd primair ontwikkeld voor migranten op het grondgebied van Nederland en België en het doel ervan is om hen te introduceren tot de Nederlandse cultuur en hen voor te bereiden op het dagelijks leven in deze landen. Het leerboek wordt ook gebruikt in Tsjechië, aan de neerlandistiek van de Palacký Universiteit te Olomouc. Het wordt gebruikt in de lessen Nederlandse taalverwerving bij de eerste- en tweedejaars bachelors die Nederlands studeren. Het onderzoek van dit artikel is gebaseerd op de vraag, op welke manier het leerboek enkele functies van een leerboek vervult. Daarom worden er in het eerste hoofdstuk functies van leerboeken omschreven. Bij de voorbeelden van deze functies: motiverend, stimulerend, cognitief, coördinatief, oriëntatief, terugkoppelend enz. Na een korte introductie van Spreken is Zilver… zal ik een deel bespreken waarin het leerboek vergeleken wordt met de functies en zal deze bijdrage zich verder focussen op de cognitieve functie. Verder hebben we een analyse van de didactische effectiviteit gemaakt waaruit een coëfficient van didactische effectiviteit wordt berekend. De sub-doelstelling is om een enquête te maken en aan de bachelors van het Nederlands aan Palacký Universiteit te geven. Daar zullen de studenten hun eigen meningen over dit leerboek uiten. Het laatste deel is dan een interview met de leraar. Hij zal uitleggen hoe hij alle functies van het leerboek vervult op het grondgebied van Tsjechië, gezien het feit dat het leerboek primair geschikt is voor het gebruik in Nederlandstalig gebied. De conclusie van dit artikel is dus om te bepalen of het leerboek volledig gebruikt wordt in zijn cognitieve functie, of het didactisch effectief is, hoe het leerboek gebruikt wordt in Tsjechië en, ten slotte hoe het leerboek door studenten en de leraar gepercipieerd wordt.
“… het ancker nu wel by de kat settē en blyven t’huys op een luwe Reede by den haert, daer een goet vier aen leyt.” Maritieme motieven in de Nederlandse emblematabundels uit de 17de eeuw
Joanna Skubisz (Wrocław)
“…. het ancker by de kat settē en blyven t’huys op een luwe Reede by den haert, daer een goet vier aen leyt” schreef Roemer Visscher in de subscriptio van zijn embleem Hac mente laborem uit de bundel Sinnepoppen (1614). Hij dacht hier natuurlijk aan de zeelieden en schippers die met varen zijn opgehouden. De pictura van het embleem toont een kat die bij het anker zit op de achtergrond van het haardvuur. In zijn subscriptio legt de auteur verder uit dat het menselijk bestaan zinvol is als men van de gaven van Fortuna kan genieten en niet onophoudelijk de winst vermeerdert.
In Sinnepoppen vindt men veel maritieme motieven en naast ankers zijn dat: boten, schepen, havengezichten, kompassen, boeien e.a. Het is niet verbazingwekkend gezien het feit dat de auteur als graankoopman de kost verdiende en meermaals op reis ging naar de havens aan de Noord- en Oostzee.
De thematiek van de scheepvaart kwam meermaals voor in diverse genres van de Nederlandse emblematiek uit de zeventiende eeuw. Behalve Roemer Visscher, die realistische emblemen schreef, hebben haar ook de auteurs van liefdesemblemata aangewend, bijv.: Daniël Heinsius in Het ambacht van Cupido (1613) of Otto Vaenius in zijn Amorvm emblemata (1608). Men vindt haar in de werken van Jacob Cats: Sinne- en minnebeelden (1627) en Spieghel van den Ouden ende Nieuwen Tijdt (1632). In dit laatstgenoemde boek plaatste de auteur trouwens ook de hele reeks van Scheeps-spreucken die nu algemeen bekend zijn (o.m. De beste stuer-luy zijn aen lant).
In mijn bijdrage ga ik maritieme motieven in de Nederlandse emblematiek en andere cultuuruitingen (schilderijen, tegels, spreekwoorden) opsporen. Ik wil hun oorsprong en redenen van populariteit presenteren. Welke betekenissen schreef men aan deze motieven toe? Ik probeer ook te beantwoorden of ze in de literatuur van andere naties voorkwamen en voor welke doeleinden ze werden gebruikt.
In het voetspoor van Oedipus
Agnes Sneller (Boedapest)
Als voorbereiding op het congres maak ik een reis door literair Europa met de tragedie Oedipus Rex van Sophokles (496-406 v.C.) als mijn unieke bagage. Als reisgids dient de literatuurkundige en filosoof H.G. Gadamer (1900-2002) die in zijn hoofdwerk Wahrheit und Methode (1960) twee hermeneutische kerndoelen formuleert: reconstructie als inpassing in het verleden en integratie als inpassing in het heden.
Ik ben vooral geïnteresseerd in de familiegeschiedenis van de personages en de manier waarop die door de eeuwen heen zijn ge(re)presenteerd. Achtereenvolgens zullen de literaire bewerkingen van Seneca (de jongere; 4 v.C.-65 n.C.),  Herman Teirlinck (1897-1967), Hugo Claus (1929-2008) en Harry Mulisch (1927-2010) aan de orde komen. Ook zal ik aandacht besteden aan actuele besprekingen van de tragedie in o.a.  Pieter Steinz, Made in Europe en David Rijser, Een telkens nieuwe Oudheid, beide uit 2016.
Nederlandse vaste verbindingen met diernamen in het Nederlands, Frans en Pools
Beata Sprawka (Lublin)
Elke taal bezit een aantal vaste verbindingen die alomtegenwoordig zijn of juist typisch en uniek zijn voor specifieke landen en culturen. Omdat mensen deel uitmaken van de natuur en ook leven in de omgeving van andere biologische schepsels als dieren, kunnen er in elke taal en in elke cultuur veel vaste verbindingen met dierennamen worden aangetroffen. Volgens mijn vroegere onderzoek kwam ik te weten dat de Germaanse talen (het Nederlands en het Engels) vaker een dier in fraseologismen gebruiken dan de Romaanse taal Frans en de Slavische taal Pools. Valt er eigenlijk wel iets over te zeggen, over welk type vergelijking die talen in plaats daarvan gebruiken?
Vlaanderen en Brabant hebben lang tot de culturele invloedssfeer van Frankrijk behoord en het Frans was lang de belangrijkste cultuurtaal van Europa. Daarom vermoed ik dat sommige Nederlandstalige fraseologismen zijn beïnvloed door het Frans.
De vaste verbindingen zijn cultuurgebonden. Het is dus een sociolinguïstisch thema dat zowel een taalkundige component als een culturele heeft.
Theo van Doesburg en de reis naar de vierde dimensie
Anita Srebnik (Ljubljana)
Theo van Doesburg wordt beschouwd als de leidende constructivist van Nederland. In mijn bijdrage vraag ik me af waarom van Doesburg zichzelf wel/niet als constructivist mag typeren en waarom hij door wetenschappers als constructivist wordt beschouwd. Om deze vraag te beantwoorden moet eerst gekeken worden naar het ontstaan van en de principes van deze beweging in Rusland. Daarnaast wordt nagegaan wat de invloed van het Russisch constructivisme in Europa was, bv. in Weimar, Berlijn, Ljubljana, Trieste, Warschau. Tussen 1904–1926 leefde in Ljubljana en Trieste de Sloveense dichter Srečko Kosovel, die als literair constructivist kan worden beschouwd en van wie tot nu toe niet veel bekend was. Zijn constructivistische poëzie kan nu pas worden begrepen, ook mede doordat zijn dagboeken eindelijk in het geheel zijn ontcijferd en gepubliceerd in een nieuwe monografie (verschenen in het Sloveens, Engels en Russisch). Kosovel heeft zich aan het eind van zijn korte leven gewijd aan puur constructivistische poëzie. In vergelijking met die van Theo van Doesburg/I.K. Bonset schrijft hij een originele, dynamische, ruimtelijke poëzie. Ook bij hem ging het om een radicale vernieuwing van de poëzie en kunsten. Maar de vraag is of Van Doesburgs/ I.K. Bonsets en Kosovels poëzie wel onder één constructivistische noemer gebracht kunnen worden.
Community interpreting binnen de opleidingen neerlandistiek extra muros. Rol en positie van tolken van en naar LLD’s in de tegenwoordige migratiegolf
Markéta Štefková (Bratislava)
Community interpreting is een ruim begrip binnen de tegenwoordige translatologie dat betrekking heeft op meerdere tolktechnieken, communicatieve situaties en maatschappelijke sectoren, die een helpende hand bieden aan anderstalige sociale groepen in de samenleving op het gebied van de gezondheidszorg, het recht of de administratie. De positie en afbakening van taken van tolken in deze contexten is van land tot land verschillend. Heel divers is ook de achtergrond van de tolk, zijn tolkvaardigheden, opleiding, taalkennis en kwaliteit van de uiteindelijke tolkprestatie.
In de presentatie wordt inleidend aandacht besteed aan de afbakening van het begrip community interpreting in de context van de Lage Landen en Centraal-Europa. Aansluitend wordt kort de verandering van de maatschappelijke context en nood aan gekwalificeerde tolken geschetst in verband met de migratiebewegingen binnen de EU. De geschetste actuele situatie wordt verder bekeken vanuit het oogpunt van een kleine filologie met specialisatie in vertaal- en tolkwetenschap zoals de neerlandistiek extra muros en haar combinatie met minder verspreide talen in Centraal Europa.
Concluderend vat het artikel enkele mogelijkheden samen van de implementatie van concrete modules en praktische oefeningen in het curriculum van deze filologieën. Die bieden de student een belangrijke impuls en een eerste inzicht in de problematiek, op basis waarvan hij zelf enige tolkcompetentie op dit gebied kan ontplooien. Zo kan ook een kleine filologie een bijdrage leveren aan de actuele uitdagingen van de Europese samenleving en aanzet geven tot de verbetering van de kwaliteit van het tolken op het gebied van recht, sociale zorg en administratie.
Taal is business! Over globalisering en toepassingen in de taalkunde
Frieda Steurs (Leuven/Leiden)
In deze lezing willen we de nieuwe trends in de toepassingen van de taalkunde belichten, omdat er door een aantal belangrijke maatschappelijke ontwikkelingen een nieuwe visie op taal ontstaat. We noemen:
– De snelle evolutie van wetenschap en technologie die ervoor zorgt dat talloze nieuwe begrippen opduiken. Die moeten een talige voorstelling krijgen en dat in meerdere talen.
– De invloed en veranderingen door de snelle technologische groei in alle geledingen van onze samenleving wat tot gevolg heeft dat er snellere en betrouwbare gespecialiseerde informatie nodig is.
– De globalisering, die ook in het reisgedrag en het toerisme te voelen is.
De nieuwe term Taalindustrie refereert aan deze nieuwe ontwikkelingen en is een verzamelnaam voor allerlei talige processen en diensten.
In deze lezing bekijken we een aantal aspecten van taal en economie, zo ook de meertalige activiteit in de sector van het toerisme. Dat een sterke toeristische activiteit goed is voor de economie staat als een paal boven water. Zo is het aantal aankomsten van toeristen en zakenlui in Vlaanderen is in 2014 met zes procent gestegen. Dat is een verdriedubbeling van de groei uit 2013, zo blijkt uit voorlopige cijfers van Toerisme Vlaanderen. De extra inkomsten zijn goed nieuws voor de Vlaamse economie.
Ook in Nederland bekijkt men via Holland Marketing de evolutie van het toerisme. Zo lezen we op de website: toerisme is niet alleen leuk, het is ook belangrijk voor Nederland: jaarlijks zorgen toerisme en recreatie voor 65 miljard euro aan bestedingen in ons land.
Vertalen voor de toeristische sector is een specialisme op zich. Er komt een communicatiestrategie bij kijken en goede tekstschrijvers, vertalers en marketeers. Wat wordt er zoal vertaald? Toeristische brochures, flyers, websites, reisgidsen, mailings, nieuwsbrieven, blogs en andere documenten in verschillende talencombinaties.
De mensen voor de aap houden. Paul van Ostaijen op reis naar het groteske in Berlijn
Alexa Stoicescu (Boekarest)
Het schrijverschap van Paul van Ostaijen veranderde radicaal in 1918 toen de dichter uit Antwerpen naar Berlijn uitweek. Hij begon een experiment met zijn poëzie dat hem tot een van de bekendste avant-gardedichters maakte. Deze reis veranderde echter niet alleen zijn lyriek. In Berlijn schreef hij het eerste scenario uit de Nederlandstalige literatuur en beoefende ook het genre van de groteske. Deze korte, absurdistische, spottende, minder vaak besproken literaire werken waarmee Van Ostaijen de mens ‘voor de aap wilde houden’ staan centraal in deze bijdrage. De thema’s van de grotesken variëren van dwanggedachten en obsessies, die de personages de dood indrijven (bijvoorbeeld in ‘De overtuiging van notaris Telleke’) en dierenverhalen, waar over de mogelijkheid gereflecteerd wordt om je natuur te overbruggen (in ‘Het konijn’) naar de consequenties van een ideaal op het leven van de mens (bijvoorbeeld in ‘Glans en verval van een politiek man’). Het zijn teksten waarin er onbeperkte stilistische vrijheid heerst. Van Ostaijen heeft zijn schrijfstijl ‘zwansen’ genoemd en de handelingen in een niet-officiële wereld geplaatst. Besproken worden het hieruit voortkomende wereld- en mensbeeld, waarbij een vergelijking met een aantal teksten van de Duits-Joodse filosoof Salomo Friedlaender getracht wordt, die onder het pseudoniem Mynona (de omkering van anoniem) grotesken publiceerde en de inspiratiebron van Van Ostaijen was. Van Mynona stamt de volgende uiting: “De schrijver van grotesken zwelgt slechts in het lelijke om een nieuwe impuls te geven aan de verzwakte krachten die streven naar het goede, het ware en het schone.” Uitgaand van dit citaat, wordt aansluitend de vraag gesteld naar de maatschappelijke en literaire relevantie die Van Ostaijen aan de grotesken toekende. Is het harlekijnachtige karakter van deze teksten alleen een plezierig spel, zoals Van Ostaijen in dit citaat suggereert: “De mensen zijn het niet waard gekritiseerd te worden. Enkel stof voor burleske novellen”? Of is er nog iets over gebleven van het idealisme uit het begin van zijn dichterlijke carrière?
Reizen van literatuur in meertaligheid
Yves T’Sjoen (Gent/Stellenbosch/Brno)
Schrijvers en teksten circuleren en functioneren niet uitsluitend in de taalomgeving waar de productie, de distributie en de receptie van het werk plaatsvinden. Ze behoren niet uitsluitend tot één taal of een specifieke nationale en/of culturele context. Ze overschrijden in vele gevallen de grenzen van het eigen taal- en cultuurgebied en van het nationale of lokale circuit waartoe de literatuur wordt gerekend. Comparatief cultuursociologisch onderzoek naar literaire dialogen die de landsgrenzen en taal- en cultuurgebieden overschrijden en dus naar internationale trajecten van literatuur en andere culturele producten wordt onder de algemene noemer van transnationalisme of wereldliteratuur bestudeerd. Bekende westerse studies zijn La République mondiale des lettres (1999) van Pascale Casanova en What is World Literature? (2003) van David Damrosch, waarin de term “wereldliteratuur” is gemunt. Oorspronkelijk heeft Goethe de term “Weltliteratur” gemunt.
In mijn referaat geef ik enkele aanzetten voor een transnationale benadering van literatuur. Naast de verticale beweging naar het Engels zijn er de talrijke laterale bewegingen naar andere en kleinere taalgebieden. Met behulp van bevindingen van onder anderen Françoise Lionnet en Shu-mei Shih in Minor Transnationalism (2005) en Jahan Ramazani in A Transnational Poetics (2009) bestudeer ik cultuurtransfers tussen het Nederlands en het Afrikaans. Teksten reizen en ondergaan tijdens cultuurtransmissies soms aanzienlijke metamorfosen. De roman en de poëzie in de brontaal ondergaan wijzigingen en worden verschillend gerecipieerd in een andere culturele omgeving. Op die manier reizen literaire teksten in talen en meestal heeft de auteur er geen greep op. Mijn bijdrage handelt over de meertaligheid van de literatuur waarbij vertaalwetenschappelijke, institutionele en poëticale aspecten kunnen worden aangestipt.
Kleine woordjes, grote effecten. De interpretatie van het partikelgebruik in het Nederlands en het Oudgrieks
Kamila Tomaka (Lublin)
Het blijkt erop dat de functionele beschrijvingen van partikels een beter inzicht geven in de effecten die deze kleine woordjes in een bepaalde context kunnen hebben, waardoor het duidelijk wordt dat Oudgriekse en Nederlandse partikels niet zomaar beschouwd kunnen worden als betekenisloze elementen die naar willekeur over een tekst worden verspreid maar eerder als een cultuurspecifieke elementen in de taal. Door de uitvoerige analyse van de Nederlandse vertalingen van Oudgriekse teksten, wordt er een raamwerk ontwikkeld aan de hand waarvan de Oudgriekse, en vergelijkbare partikels in het Nederlands, in kaart worden gebracht. Door systematisch naar het linguïstisch gedrag van partikels in dode en levende taal te kijken, maar ook naar het teksttype en de context waarin de gegeven partikel wel en niet voorkomt, kunnen we achter de functie en ‘gevoelswaarde’ van deze kleine woordjes komen en daardoor de grootse problemen met partikelgebruik in het Nederlands en het Oudgrieks oplossen.
De receptie van Madelon Székely-Lulofs in de Hongaarse pers in het interbellum
Zsuzsa Tóth (Debrecen)
 
De Nederlandse schrijfster Madelon Székely-Lulofs neemt een bijzondere plaats in in de geschiedenis van de Hongaars-Nederlandse literaire betrekkingen. Door haar huwelijk met de Hongaar László Székely is zij dichterbij de Hongaarse literatuur geraakt dan enige andere Nederlandse schrijver in deze periode. Het echtpaar Székely-Lulofs heeft in grote mate bijgedragen tot de versterking van de literaire contacten tussen de twee landen: dankzij hun vertaalwerk in de jaren dertig en veertig heeft het Nederlandse lezerspubliek de naam van enkele belangrijke Hongaarse schrijvers leren kennen, aan de andere kant hebben ze ook de bekendheid van de Nederlandse literatuur in Hongarije bevorderd door de werken van Nederlandse schrijvers in het Hongaars te vertalen.
Maar hoe werd de schrijfster zelf ontvangen in Hongarije in de onderzochte periode? En vooral: zijn haar Nederlandse en Hongaarse receptie te vergelijken? Ik probeer deze vragen te beantwoorden vanuit het perspectief van de Hongaarse (literaire) pers, d.w.z. door de analyse van een corpus van artikels en boekbesprekingen die in het interbellum over de werken van Madelon Székely-Lulofs verschenen. Om tot een conclusie te kunnen komen is het onvermijdelijk de verschillende aspecten van het receptieproces in aanmerking te nemen. Met behulp van de terminologie van de Franse socioloog Pierre Bourdieu in verband met het veld van culturele productie kan dit proces uiteengezet worden. Volgens deze theorie zijn het de zgn. “bemiddelaars” – alle personen en instellingen die een rol spelen in de productie, de verspreiding en de consumptie van de literatuur – die de waarde en de betekenis van een literair werk bepalen – dus ook de buitenlandse receptie daarvan.
‘Ferdydurke’ door de jaren en landen heen – Poolse literatuur op reis door middel van vertaling
Katarzyna Tryczyńska (Wrocław)
 
Het doel van een vertaling, en vooral van een literaire vertaling, is dat hij gepubliceerd wordt. Daardoor komen doeltekstlezers in contact met uitheemse literatuur. Op die manier wordt een beeld van “het vreemde” gecreëerd en reist literatuur door twee dimensies, namelijk tijd en ruimte. Vertalingen worden door vertalers aangevuld met eigen concepten en eigen verbeelding en het origineel krijgt dankzij de vertaling een nieuwe gelaagdheid. Dit wordt als de toegevoegde waarde van vertalingen beschouwd en de vertalers worden heel vaak vergeleken met reizigers die een interculturele dialoog teweegbrengen en de literatuur naar andere culturen verplaatsen. In deze bijdrage worden de Nederlandse vertalingen van de roman Ferdydurke van Witold Gombrowicz geanalyseerd met het oog op de toegepaste vertaaltechnieken en de gevolgen van die keuze voor de doeltekst(lezers). Hiervoor wordt de vertaling van het vertalerstrio Willem A. Maijer, Herman van der Klei en Chris de Ruig vergeleken met die van Paul Beers. Aan de hand van een vergelijkende analyse van de gehanteerde vertaaltechnieken en -strategieën wordt onderzocht of en op welke manier de couleur locale naar de doeltekst is overgebracht en of dit per vertaling verschilt. De literaire vertaling kan niet uitsluitend als een product van de doeltaal en -cultuur worden gezien, maar als een handeling die ook verbonden is met de originele tekst, de status ervan alsook de manier waarop hij in de broncultuur functioneert.
Wie zijn de ‘Vlaamse Meesters’ in de schilderkunst? Een aanzet tot terminologische verklaring
Kristin Tytgat (Brussel)
Om de buitenlandse toerist naar Vlaanderen te lokken zet Toerisme Vlaanderen tussen 2018 en 2020 sterk in op “Vlaamse Meesters”. De schilders die vooral in de belangstelling staan zijn Rubens, Bruegel en Van Eyck. Toerisme Vlaanderen heeft hiervoor in 2015 een bevraging gedaan in 16 landen naar de factoren die het marktpotentieel van deze Vlaamse Meesters bepalen. Het onderzoek peilt naar de belangstelling voor kunst en cultuur als men op vakantie gaat en gaat specifiek in op de bekendheid bij het grote publiek van bepaalde schilders in Europa en in Vlaanderen in het bijzonder. Hiermee wil men inschatten hoe bekend de Vlaamse Meesters in de wereld zijn. Op de vraag wie de belangrijkste schilders zijn uit Vlaanderen (België) komt Rembrandt op de tweede plaats en ook van Gogh ontbreekt niet in het lijstje. Dit leidt ons tot de terminologisch-historische vraag wat de toerist in de wereld verstaat onder Vlaamse, Belgische of Nederlandse schilders. Of zijn het schilders van de Lage Landen? Welke benamingen worden gebruikt in de moedertaal van de reiziger? We proberen hier in een klein onderzoek te doen in de hoop een paar aanknopingspunten te vinden om de buitenlandse toerist de weg te wijzen in het labyrint van de Nederlandse schilderkunst.
Viva Mexico! Het Midden-Amerikaanse land door de ogen van Cees Nooteboom en Jasen Boko
Gioia-Ana Ulrich Knežević (Zagreb)
Wat hebben de Mexico reizen van Cees Nooteboom en van de Kroatische schrijver Jasen Boko met elkaar gemeen? Beide auteurs zijn gefascineerd door het verre, exotische land. Nooteboom en Boko geven hun indrukken van het moderne Mexico waarbij zij ook over de wereld van de Indianen verhalen, evenals de geschiedenis, de Spaanse veroveringen en de haat tussen de creolen en de Spaanse immigranten. Nooteboom schreef de Mexico verhalen in 1988 en in 2007, de reisverhalen van Jasen Boko ontstonden in 2004. In hoeverre verschillen hun impressies? Cees Nooteboom werd geboren in 1933, Jasen Boko in 1961; zij groeiden in verschillende tijden en verschillende landen op. Zijn Hun verscheidene verhalen het gevolg van een groot generatieverschil of van diverse verwachtingen?
Tussen het zelfimago en de ander. De imagologie van de ‘Boertige reis door Europa’ (1794-1806) van A. Fokke Simonsz
Jan Urbaniak (Wrocław)
‘Wij zullen, in eene aaneengeschakelde volgreeks, van eenige Verhandelingen alle de voornaame landen van dit rijk en magtig waerelddeel, in derzelven ouden en hedendaagschen staat, geschiedenissen en zeden, beschouwen […]; wij zullen […] alleen het voornaame, het weetenswaardige, in aanschouw neemen […]’. Met deze voor de lezer veelbelovende woorden opende Arend Fokke Simonsz (1755-1812) zijn magistrale zevendelige ‘reisgids’ door Europa. De reisgids die veel over de aard van het 18e-eeuwse Europa en het karakter van de Europese volkeren zegt. Het boek, waarvan het eerste deel in 1794 het licht zag, vormt voor de hedendaagse lezer een boeiend voorbeeld van de (pre-) imagologische studie, waarin twee cruciale vragen aan bod komen. Ten eerste: met welke retorische middelen schetst de auteur het beeld van de ander; en ten tweede: wat de door hem gehanteerde beelden van het zelfimago van de auteur zeggen (en in verlengde daarvan van het Nederlandse volk aan het einde van de achttiende eeuw). Het antwoord op deze twee vragen zoek ik in mijn bijdrage. Ik concentreer me zowel op de retoriek van de door Fokke Simonsz geschetste beelden, als op de achtergrond daarvan: politieke, culturele, religieuze en ten slotte nationale motivatie van de auteur om zijn beelden met een bepaalde inhoud te ‘voeden’ – de inhoud die de ‘Hollandsheid’ van Fokke Simonsz zou verraden.
Intertextualiteit en vertaling
Orsolya Varga (Boedapest)
In navolging van Michael Bachtin en Julia Kristeva wordt het begrip ‘intertextualiteit’ heel breed opgevat en beschrijft het een algemene eigenschap van alle teksten van alle tijden. De daaruit voortvloeiende stelling is dat een tekst alleen kan worden begrepen in het licht van andere teksten. Het weefsel van een tekst hangt weer met talrijke draden vast aan andere teksten. En wat als dat weefsel van een oorspronkelijke literaire tekst nog naar een andere taal wordt overgebracht? Hoe gaan literaire vertalers met dit verschijnsel om, welke strategieën worden toegepast om de herkende intertextualiteit te kunnen overbrengen in de doeltaal? Op basis van een aantal case-studies – vooral van Hongaars- of Nederlandstalige vertalingen van Nederlandse of Hongaarse bronteksten – streef ik ernaar om dit probleem in kaart te brengen. De vraag rijst of er intertextualiteit wordt gecreëerd, ook door de literaire vertalers zelf? Ik onderzoek het hoe en waarom eigen intertextualiteit toe te voegen aan het origineel, onder andere aan de hand van gesprekken met andere vertalers en op basis van mijn eigen ervaringen als literair vertaalster.
De rol van demografie in taalverandering
Freek van de Velde (Leuven)
De belangrijkste verandering die de Nederlandse grammatica het afgelopen anderhalve millennium heeft doorgemaakt is het verlies aan inflectionele morfologie. Dat langetermijnproces staat bekend als ‘deflectie’, en heeft allerlei gevolgen voor de grammatica, die doorlopend gereorganiseerd wordt (zie Van der Horst 2004: 53, 2013). De vraag die daarbij onmiddellijk rijst is: wat is de oorzaak van die deflectie? Het klassieke antwoord is dat de Germaanse talen een sterk beginaccent hebben, waardoor de uitgangen verpieterden. Dat zou best kunnen, maar het laat onverklaard waarom de deflectie zich ook in andere Europese talen voordoet, zoals de Romaanse talen, die niet allemaal zo’n sterk beginaccent hebben. Een heel belangrijke factor is taalcontact, door immigratie (zie ook Kusters 2003; Weerman 2006, Lupyan & Dale 2010; Trudgill 2011; Bentz & Winter 2013). Dat kan onderbouwd worden met demografische gegevens, wat ik in deze lezing ook zal doen.
Wijzigingen opslaan? Herinneringen op reis in Tom Lanoye’s ‘Een perfecte moord (een thriller)’ en Samuel Becketts ‘Krap’s Last Tape’
Janina Vesztergom (Boedapest)
Herinneringen en de werking van het geheugen spelen in postmoderne literatuur een belangrijke rol. Zowel als gevolg van de intensieve studie van het communicatief, collectief en cultureel geheugen als ook met de opkomst van trauma-theorie wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de manier waarop in literaire werken individuele herinneringen met betrekking tot de identiteitsvorming van de personages gerepresenteerd worden. In mijn presentatie ga ik in op de vraag hoe de werking van het individuele geheugen en de constructie van identiteit zich in Tom Lanoye’s “Een perfecte moord” (1994) en Samuel Becketts Krapp’s Last Tape (1958) manifesteren. Het verhaal van Lanoye en het toneelstuk van Beckett horen bij het genre “fictions of memory” en bevatten tekstuele weergaven van geluidsopnames (mediated en mediatized memory) bij wijze van terugblikken op het verleden van de hoofdpersonages wiens levenseinde nadert. De aanstaande dood van Jacob en Krapp is voor hen aanleiding om op hun leven te reflecteren. De korte fragmenten die de personages uit hun verleden weergeven illustreren de selectieve manier waarop het geheugen werkt en trekken de waarheid van alle tekstuele representaties in twijfel.
De reizende tekst: feministische herschrijving en ‘Alles verandert’ door Kristien Hemmerechts
Martina Vitáčková (Pretoria)
De Nederlandse literatuur kent een traditie van feministisch herschrijven – van ‘Tine of De dalen waar het leven woont’ (1987) van Nelleke Noordervliet, ‘Maak jezelf maar klaar’ van Elsbeth Etty (2007) tot recente roman ‘Alles verandert’ (2016) van Kristien Hemmerechts die Coetzees ‘Disgrace’ (1999) herschrijft. Hemmerechts gaat echter nog een stapje verder dan haar voorgangsters en is ook veel explicieter in haar studie van machts- en genderverhoudingen. De vraag “Waarom maakt het zoveel uit of een bepaalde rol in een verhaal door een man dan wel door een vrouw wordt ingevuld?” speelt een centrale rol in de roman. Net zoals in het geval van ‘Disgrace’ moet de tekst vanuit het intersectionele standpunt geanalyseerd worden om de verschillende ‘assen van onderdrukking’ in acht te nemen en hun doorgevlochten werking te onderzoeken.
Franca Treur en Tommy Wieringa als de auteurs van de 21ste eeuw: de schrijver binnen en buiten het literatuurbedrijf
Lukáš Vítek (Praag)
De introductie van een contextueelgericht onderzoek in de jaren tachtig betekende een vernieuwing in de literatuurwetenschap: sinds die tijd is close reading, gebaseerd op het structuralisme, niet meer de enige literaire benadering. Van belang is ook de socio-economische context waarin het werk ontstaat.
Met het verschijnen van Literatuur en moderniteit in Nederland 1840-1990 van Ruiter en Smulders komt deze omwenteling de neerlandistiek binnen. Ruiter en Smulders laten zien dat naast de chronologische literatuurgeschiedenis een complexere aanpak voor de literaire wetenschapper voor de hand ligt. Namelijk: hij legt een direct verband tussen het literaire werk en de geschiedenis van ideeën. Zowel literatuur als geschiedenis zijn het resultaat van dialectiek. (Dialectiek betekent dat er tegenkrachten in de geschiedenis werken. Hier baseer ik me op de theorie van Calinescu.)
Dankzij de dialectiek veranderen in de loop van de geschiedenis literaire concepten zoals het concept van de auteur: voor de Tachtigers was de auteur een genie, terwijl de auteur vandaag de dag iemand is die simpelweg schrijft. Maar de vraag is: Wie is de schrijver tegenwoordig? Hoe vervult hij zijn rol? Als we naar de website van de hedendaagse schrijvers kijken, lijkt het dat de schrijver een koopman is: het is vooral iemand die zijn boeken verkoopt. Dus de schrijver wordt een item in het economische systeem.
Wat is daarvan van invloed op de literatuur? Wordt literatuur niet gereduceerd tot een bijdrage aan de markt, tot het kapitaal? Juist van deze economische opvatting van literatuur maakt Honoré de Balzac een spotbeeld in zijn Illusions perdues.
In deze lezing, die gebaseerd is op een masteronderzoek, zou ik me graag bezighouden met de Nederlandse auteurs Franca Treur en Tommy Wieringa en met hun interactie met het Nederlandse literatuurbedrijf. Hoe, gezien door de marxistische theorie van Lucien Goldmann, vervullen zij de rol van de schrijver in Nederland?
Een taalvaardigheidstest voor anderstaligen voorgelegd aan Nederlandstaligen. Een onverwacht effect?
 Lieve De Wachter (Leuven)
Deze presentatie focust op de validiteit van de ITNA-test (Interuniversitaire Test Nederlands als Vreemde Taal). Dat is een ‘high-stakes’ toelatingstest ontwikkeld door een testconsortium aan vier Vlaamse universiteiten. ITNA is geregistreerd sinds augustus 2010 en gaat na of kandidaten het B2- of C1-niveau van het Common European Framework (CEFR) bereikt hebben. Dat is het niveau dat meestal vereist wordt voor toelating tot studies in het Nederlands aan een Vlaamse hogeschool of universiteit.
De test bestaat uit drie delen: 1.een computertest, waarin ‘taal in gebruik’, luisteren en lezen wordt nagegaan; 2.een mondeling gedeelte en 3.een extra schrijfopdracht voor C1-kandidaten. Vergelijkbare onderdelen komen meestal voor bij toelatingstesten (zie bijvoorbeeld bekende testen als TOEFL en IELTS). Nu is het interessant om na te gaan of leerlingen uit het laatste jaar secundair onderwijs in Vlaanderen makkelijk slagen voor die ITNA-test. Zij hoeven een vergelijkbare test immers niet af te leggen. Hun diploma van het laatste jaar secundair onderwijs volstaat om toegang te krijgen tot universiteit of hogeschool.
Al in 2010 werd een kleine pilootstudie gedaan bij moedertaalsprekers. Daarin slaagden de 44 leerlingen middelbaar onderwijs allemaal probleemloos voor het computergedeelte van de ITNA-test. Daarmee bevestigden zij de validiteit van de ITNA-cesuren in de computertest. De leerlingen die in 2010 getest werden, waren allemaal Nederlandstalig van huis uit. Het Nederlandstalige middelbaar onderwijs in Vlaanderen heeft echter een zeer multiculturele populatie. Nederlands mag dan wel de schooltaal zijn, een niet onaanzienlijk aantal leerlingen spreekt thuis een andere taal. Daarom is het interessant om te kijken of ook leerlingen met een andere thuistaal probleemloos voor de ITNA-test slagen.
Dat blijkt niet altijd het geval. Deze presentatie focust op de resultaten van een beperkte studie in enkele Nederlandstalige middelbare scholen in Vlaanderen en Brussel met zowel Nederlandstalige als ‘meertalige’ leerlingen. Het is interessant om te kijken wat de resultaten precies zijn en van daaruit conclusies te trekken, zowel voor de toelatingsprocedure als (eventueel) voor het Nederlandstalige middelbaar onderwijs in Vlaanderen en Brussel.
Bevordering van de ICC van NVT-taalleerders in vertaalcolleges via het vertalen van directieve teksten met cultuurspecifieke elementen
Muriel Waterlot (Lublin)
De plaats van vertalen in het vreemdetaalonderwijs wordt de laatste jaren opnieuw in vraag gesteld. Sommigen beschouwen vertalen als een vijfde vaardigheid (naast luisteren, spreken, schrijven en lezen) en anderen zijn er ten stelligste van overtuigd dat vertalen het taalverwervingsproces niet in de hand werkt.
In deze presentatie breng ik verslag uit van de resultaten van een experiment uitgevoerd onder de studenten van de bacheloropleiding aan de Katholieke Johannes Paulus II universiteit  (Lublin) waarin tijdens L2-vertaalcolleges aan studenten werd gevraagd om directieve teksten met culturele elementen uit het Pools naar het Nederlands te vertalen.  Tijdens de colleges werd het Van Kalsbeek-Nord model toegepast.
Wie zijn er nu direct? Over verzoeken in het Pools en in het Nederlands
Katarzyna Wiercińska (Poznań)
Wie zijn directer? De Polen of de Nederlanders? Vraag het aan de Nederlanders die contact hebben met Polen en dan is het antwoord vermoedelijk: de Polen. Vraag het aan de Polen die contact hebben met Nederlanders en het antwoord is: de Nederlanders. In beide talen heeft elk verzoek precies dezelfde bedoeling. De spreker wil namelijk bereiken dat zijn gesprekspartner een actie onderneemt naar de wens van de spreker. Een verzoek uitspreken hangt samen met een mogelijke gezichtsdreiging. De spreker wil niet te dominant overkomen omdat het op korte of lange termijn contraproductief is. De toehoorder wil het gevoel hebben dat hij zelf beslist of hij dat verzoek inwilligt of niet. De manier waarop we dingen verzoeken verschilt aanzienlijk in beide talen. In het Pools, net zoals in andere Slavische talen, worden bijvoorbeeld veel imperatieve vormen gebruikt bij wijze van verzoeken die over het algemeen minder dwingend worden ervaren dan imperatieven in het Nederlands. De bedoeling van deze bijdrage is om de vorm van verzoeken in informele conversaties tussen bekenden in het Pools en in het Nederlands te vergelijken. De voor het onderzoek gebruikte conversaties zijn afkomstig van het Corpus Gesproken Nederlands en Spokes (een corpus van spontane gesproken conversaties in het Pools). Er wordt zowel aandacht besteed aan de vorm van de verzoeken als aan de taalelementen die het verzoek minder hard en dwingend maken.
Op reis naar een marktsucces. Cees Nooteboom en Elisabeth Borchers 
Paweł Zajas (Poznań)
In de herfst van 2003 gaf Suhrkamp Verlag, naar aanleiding van de zeventigste verjaardag van Cees Nooteboom, de drie eerste delen van diens verzameld werk uit. Vijf jaar later werd de luxe uitgave voltooid: negen banden in een donkerrode, linnen omslag, versierd met elegante typografie, gedrukt op het beste papier en voorzien van talrijke afbeeldingen. Deze adelsbrief is onomstreden: sinds 1991, toen Marcel Reich-Ranicki, na zijn lectuur van Die folgende Geschichte, Nooteboom tot “de belangrijkste Europese schrijvers onzer tijd” verhief, behoort de Nederlander onveranderd tot de topauteurs van de uitgeverij.
In het deels al bekende verhaal over Nootebooms triomftocht door het Duitse taalgebied bleef echter de eminente rol van zijn uitgeefredacteuren tot nu toe onderbelicht. Dit komt vooral door het monolithische perspectief op de literatuurproductie: de verhouding tussen een uitgever en zijn auteurs wordt niet zelden openbaar gemaakt door bijvoorbeeld een brieveneditie, de functie van de uitgeefredacteur persisteert daarentegen in een historiografische schaduwzone. De beperkte toegang tot archiefmateriaal is mede debet aan deze omissie. In 2009 kwam hier verandering in: het Siegfried Unseld Archief (SUA) dat door het Deutsches Literaturarchiv Marbach (DLA) werd aangekocht, stelt nu de archiefdata beschikbaar die het ontstaansproces van Nootebooms werk in de Duitse vertaling als ‘Suhrkampproduct’ in al zijn facetten reconstrueerbaar maken.
In deze bijdrage wordt gefocust op de rol van Elisabeth Borchers, Suhrkamp- uitgeefredactrice in de jaren 1971-1998, die in 1984 Nootebooms roman Rituelen als licentie-uitgave van de Oost-Berlijnse uitgeverij Volk und Welt naar Suhrkamp heeft gehaald en die zijn boeken tot en met 1994 voor Suhrkamp geredigeerd heeft. Haar inzet was doorslaggevend voor de latere positie van Nooteboom in Duitsland. Borchers, zelf een erkende dichteres, vertaalster en kinderboekenauteur, trad op als bemiddelaar tussen de literaire kwaliteiten van Nootebooms teksten en de economische logica van de Duitse boekenmarkt, schreef leesrapporten voor de uitgever, Siegfried Unseld, onderhandelde met vertalers, beoordeelde hun manuscripten op basis van haar verwachtingen van de opnemende cultuur, redigeerde parateksten en ontwikkelde marketingstrategieën. Het SUA-archiefmateriaal weerspiegelt de uiterst complexe “opbouwfase” van Nootebooms werk in Duitsland voor zijn mediale doorbraak in 1991. Zodoende is dit onderzoek niet alleen interessant voor de literatuursociologische vraagstelling, het blijkt eveneens instructief voor het mediawetenschappelijk en tekstgenetische onderzoek.
Het beeld van reizen en toerisme in leergangen NT2
Eszter Zelenka (Boedapest)
Taalleren is een reis waarbij je een leergang en een curriculum als kompas kunt gebruiken. In de leergangen NT2 die wij in de neerlandistiek extra muros gebruiken zit altijd een sterk cultureel aspect. In het kader van mijn lezing ga ik nader bekijken hoe reizen en toerisme, beziens- en wetenswaardigheden over Nederland in de leergangen worden gepresenteerd, en wat voor verschillen er binnen een leergang zijn naarmate het taalniveau van de cursus hoger ligt.
Advertenties